Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AX8563
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking Anw-uitkering. Gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2561 ANW, 05/2563 ANW en 05/2564 ANW




U I T S P R A A K


  
op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 maart 2005, 04/1272, 04/1352 en 05/122 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 6 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij de Svb.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving vanaf december 1975 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Op 1 juli 1996 is de Algemene nabestaandenwet (Anw) in werking getreden en is het AWW-pensioen van appellante omgezet in een nabestaandenuitkering.

De unit opsporing van de Svb (hierna: sociale recherche) heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. In dat kader is dossieronderzoek gedaan en zijn appellante, H.T. Busio (hierna: Busio) en buurtbewoners gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 april 2004.

Deze onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 16 april 2004 het recht op de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 juni 1998 te beŽindigen (lees: in te trekken) op de grond dat zij sedert mei 1998, zonder daarvan aan de Svb mededeling te hebben gedaan, een gezamenlijke huishouding voert met Busio.

Bij besluit van 1 december 2004 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2004 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en het recht op de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 december 1998 beŽindigd (lees: ingetrokken). Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat uit een door Argonaut ingesteld onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 15 november 2004, is gebleken dat Busio in de periode van 1 mei 1998 tot en met 30 november 1998 hulpbehoevend was.

Op 28 april 2004 heeft appellante verzocht om herleving van de nabestaandenuitkering per 16 april 2004. Op 28 juni 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om herleving. Dat bezwaar is bij besluit van 9 september 2004 gegrond verklaard. Tevens heeft de Svb - met verwijzing naar de resultaten van een buitendienstonderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 22 juli 2004, - in bezwaar geoordeeld dat de nabestaandenuitkering niet per 16 april 2004 kan herleven omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de gezamenlijke huishouding per die datum is beŽindigd.

Op 14 juni 2004 heeft appellante een voorschot verzocht. Dat verzoek is bij besluit van 17 juni 2004 afgewezen. Bij besluit van 6 augustus 2004 is het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, heeft de rechtbank - met een beslissing omtrent proceskosten - het beroep tegen de besluiten van 1 december 2004, 6 augustus 2004 en 9 september 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij geen uitnodiging van de rechtbank heeft ontvangen voor de behandeling ter zitting van het beroep tegen de intrekking van de nabestaandenuitkering met ingang van 1 december 1998 waardoor zij in haar processuele belangen is geschaad. Voorts heeft appellante bestreden dat ten tijde hier van belang sprake was een gezamenlijke huishouding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de eerste grief van appellante overweegt de Raad dat niet aannemelijk is geworden dat appellante niet in alle zaken een uitnodiging voor de zitting van de rechtbank heeft ontvangen. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank volgt dat de rechtbank gevoegde behandeling noodzakelijk heeft geacht en dat partijen onder meer in geval van het beroep tegen de intrekking telefonisch zijn uitgenodigd voor de zitting. Appellante is derhalve niet in haar processuele belangen geschaad.



De intrekking van de nabestaandenuitkering

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, van dit artikel wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien - voorzover hier van belang - de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. Volgens het tweede lid van dit artikel eindigt het recht op uitkering met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin betrokkene een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van de Anw is voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding van een nabestaande met een hulpbehoevende vereist dat de nabestaande deze huishouding is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen. Op grond van artikel 1, aanhef en onder j, van de Anw wordt onder een hulpbehoevende verstaan de persoon die vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te gaan voeren daar hij dagelijks is aangewezen op intensieve zorg voor anderen.

Appellante en Busio stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op verschillende woonadressen. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, hoeft het aanhouden van afzonderlijke adressen niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante en Busio tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van de Svb dat ten tijde hier van belang aan het huisvestingscriterium is voldaan. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat beiden hebben verklaard dat appellante sinds mei 1998 met Busio in diens woning samenwoont.

De stelling van appellante dat de aanvankelijke verklaring van Busio, gelet op hetgeen hij ter zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht, buiten beschouwing moet worden gelaten wordt door de Raad niet gevolgd. Naar vaste rechtspraak gaat de Raad in het algemeen uit van de juistheid van een ondertekende, in een rapport van de sociale recherche opgenomen verklaring, en kent hij weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring. De Raad heeft in dit geval onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op het hiervoor weergegeven uitgangspunt dient te worden gemaakt. Daarbij vinden de verklaringen van 6 april 2004 steun in de overige onderzoeksresultaten, waaronder verklaringen van buren en het lage waterverbruik op het adres van appellante.

Nu vaststaat dat Busio op 18 september 2003 een dochter van appellante heeft erkend, is gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Anw voor de beantwoording van de vraag of vanaf 18 september 2003 sprake was van een gezamenlijke huishouding uitsluitend bepalend of appellante en Busio hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

Ten aanzien van de periode van 1 december 1998 tot 18 september 2003 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat ook aan het zorgcriterium is voldaan. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante heeft verklaard dat zij een maandelijkse bijdrage van Ä 200,-- levert in de kosten van de huishouding en huishoudelijk werk verricht. Tevens heeft zij verklaard dat Busio de lasten van de woning voor zijn rekening neemt en kookt.

Gelet op het voorgaande komt de Raad evenals de rechtbank tot de conclusie dat appellante ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Voor de stelling dat ook vanaf 1 december 1998 sprake is geweest van hulpbehoevendheid van Busio als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder j, van de Anw heeft de Raad in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden.

Gelet hierop eindigde het recht op een Anw-uitkering van appellante met ingang van 1 december 1998, zijnde de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij een gezamenlijke huishouding, anders dan met een hulpbehoevende, is gaan voeren.

Appellante heeft de Svb niet op de hoogte gebracht van het feit dat zij bij Busio inwoont. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de ingevolge artikel 35 van de Anw op haar rustende inlichtingenverplichting.

De Svb heeft de nabestaandenuitkering van appellante derhalve terecht, met toepassing van het bepaalde in artikel 34, eerste lid, van de Anw, in verbinding met de artikelen 16, eerste en tweede lid lid, en artikel 35 van de Anw, met ingang van 1 december 1998 ingetrokken.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw, op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien.
De rechtbank heeft derhalve terecht het beroep tegen het besluit van 1 december 2004 ongegrond verklaard.



De afwijzing van het verzoek om herleving van de nabestaandenuitkering

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Anw heeft de nabestaande die een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een gezamenlijke huishouding ten behoeve van een hulpbehoevende geen recht op een nabestaandenuitkering. In artikel 14, vierde lid, van de Anw is, voorzover van belang, bepaald dat voor de nabestaande die geen recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, het recht op een nabestaandenuitkering ingaat op de eerste dag van de maand dat hij deze gezamenlijke huishouding niet meer voert.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in het kader van het buitendienstonderzoek van de Svb door appellante verstrekte informatie onvoldoende grondslag biedt voor het oordeel dat zij met ingang van 16 april 2004 geen gezamenlijke huishouding meer voert. Appellante heeft verklaard dat zij vanaf die datum anders dan voorheen uitsluitend in het weekend dag en nacht bij Busio doorbrengt. Door de week verblijft zij gedurende zes uur per dag bij Busio. De Raad ziet hierin geen wezenlijke wijziging ten opzichte van de situatie van vůůr 16 april 2004.

De rechtbank heeft derhalve terecht het beroep tegen het besluit van 9 september 2004 ongegrond verklaard.



De afwijzing van het verzoek om een voorschot op de nabestaandenuitkering

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Anw is de Svb bevoegd een voorschot te betalen op een nog niet vastgestelde uitkering.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat de Svb bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid tot de afwijzing van het verzoek van appellante om een voorschot op de nabestaandenuitkering heeft kunnen besluiten.

De rechtbank heeft derhalve terecht het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2004 ongegrond verklaard.

De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.E. Broekman.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending
beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x