Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AX8571
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van het recht op nabestaandenuitkering. Gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2146 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 februari 2005, 04/703 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 6 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 05/3441 AOW, plaatsgevonden op 25 april 2006. Appellante heeft zich niet laten vertegenwoordigen. De Svb zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 1 december 1987 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 is omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). In verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd is aan appellante in aansluiting op haar nabestaandenuitkering met ingang van 1 april 1999 een ouderdomspensioen toegekend ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante samenwoont met [J.J.H. P.] (hierna: [P.]) heeft de sociale recherche van de Sociale verzekeringsbank een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkeringen. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn diverse instanties, waaronder leveranciers van energie en water, om inlichtingen verzocht en zijn appellante en [P.] gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 januari 2004. De Svb heeft naar aanleiding van de onderzoeksresultaten geconcludeerd dat appellante sedert 1991/1992 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [P.]. Bij besluit van 23 januari 2004 heeft de Svb het recht op de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 januari 1998 herzien (verlaagd) tot 30% van het nettominimumloon en per 1 april 1999 haar ouderdomspension herzien naar de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 mei 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht de Svb te veroordelen tot schadevergoeding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



De herziening van het recht op nabestaandenuitkering

De Svb heeft aan de herziening van het recht op nabestaandenuitkering artikel 67, derde lid, van de Anw ten grondslag gelegd. Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Anw wordt van de persoon bedoeld in het eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding van deze wet (dat is: 1 juli 1996) een gezamenlijke huishouding voert en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 verminderd tot een bedrag van 30% van het brutominimumloon.

De vraag of op 1 juli 1996 en 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding van appellante en [P.] heeft bestaan, dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 3, derde lid, van de Anw. Op grond van deze bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Het eerste criterium waaraan in het kader van artikel 3, tweede lid, van de Anw moet zijn voldaan, is dat van het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning. Appellante stelt dat sprake is geweest van twee afzonderlijke woonadressen en dat zij staat ingeschreven op de [adres 1] te [woonplaats] en dat [P.] staat ingeschreven op het [adres 2] te [woonplaats]. Naar vaste jurisprudentie van de Raad hoeft het aanhouden van afzonderlijke adressen echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor het standpunt dat appellante en [P.] ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante aan de [adres 1] te [woonplaats].
De Raad hecht hierbij in het bijzonder betekenis aan de verklaring die appellante tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Zij heeft onder meer verklaard dat [P.] sedert 1991 zijn vaste verblijf in haar woning heeft, daar zijn leven leidt, dag en nacht bij haar is en zelden gebruikt maakt van zijn woning aan de [adres 2]. De verklaring van appellante vindt bevestiging in de verklaring die [P.] tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. De verklaring van appellante wordt verder nog ondersteund door de gegevens inzake het waterverbruik in de woningen van appellante en [P.] vanaf oktober 1997. Uit die gegevens blijkt dat het waterverbruik in de woning van appellante aanzienlijk hoger is dan het gemiddelde waterverbruik in een eenpersoonshuishouden en dat het waterverbruik in de woning van [P.] extreem laag is.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse verzorging.
Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiŽle verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Naar het oordeel van de Raad bieden de verklaringen van appellante en [P.] een toereikende grondslag voor de conclusie dat ook aan dit criterium is voldaan. Uit die verklaringen blijkt onder meer dat appellante en [P.] samen boodschappen doen en de maaltijd gezamenlijk gebruiken, dat appellante voor [P.] kookt, de was strijkt en het huis schoonmaakt en dat [P.] de was doet en appellante bij haar huishoudelijke werk behulpzaam is. Verder blijkt uit die verklaringen dat appellante en [P.] elkaar helpen in geval van ziekte.

De Raad ziet geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellante, zoals zij stelt, haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. In dit verband tekent de Raad aan dat appellante gedetailleerd over de samenwoning met [P.] heeft verklaard, dat haar verklaring en die van [P.] in grote lijnen met elkaar overeenstemmen en dat zij aan het eind van haar verhoor heeft verklaard dat zij goed is behandeld en dat zij in alle vrijheid antwoorden heeft kunnen geven. De Raad gaat voorbij aan de stelling van appellante dat zij ten tijde van het afleggen van haar verklaring ten gevolge van gezondheidsproblemen als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt, nu deze stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens is onderbouwd.

Gelet op het voorgaande heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante op 1 juli 1996 en 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd zodat het recht op nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 diende te worden herzien.



De herziening van het recht op ouderdomspensioen

De Svb heeft aan de herziening van het recht op ouderdomspensioen ten grondslag gelegd dat appellante met ingang van 1 april 1999 voor een lager ouderdomspensioen in aanmerking komt omdat zij een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

De vraag of ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding van appellante en [P.] heeft bestaan, dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 1, vierde lid, van de AOW. Op grond van deze bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor over de herziening van het recht op nabestaandenuitkering is overwogen, is de Raad van oordeel dat ook met ingang van 1 april 1999 sprake was van een gezamenlijke huishouding van appellante en [P.]. Gelet daarop was de Svb gehouden om met toepassing van artikel 17, eerste lid en derde lid, laatste volzin, van de AOW het ouderdomspensioen met ingang van 1 april 1999 te herzien en te berekenen naar de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.



Slotoverweging

De aangevallen uitspraak komt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voor bevestiging in aanmerking. Dat betekent dat er geen grond is voor de door appellante verzochte veroordeling van de Svb tot schadevergoeding, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x