Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AY4327
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking nabestaandenuitkering vanwege gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2826 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 maart 2005, nr. 04/3331 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.A.W. Enoch hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2006, waar voor appellant is verschenen mr. Enoch. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Schimmel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 1989 een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van het bij de Svb gerezen vermoeden dat appellant een gezamenlijke huishouding voert, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte nabestaandenuitkering. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van een verricht huisbezoek en een proces-verbaal van verhoor van appellant van 17 juli 2003. Bij besluit van 2 juni 2004 heeft de Svb het recht van appellant op nabestaandenuitkering beŽindigd (lees:
ingetrokken) per 30 september 1998 op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding voert en er geen sprake is van verzorging van een hulpbehoevende.

Bij besluit van 10 november 2004 heeft de Svb het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard voor zover het zich richtte tegen de intrekking van het recht op een nabestaandenuitkering en gegrond verklaard met betrekking tot de datum waarop het recht eindigt, welke datum wordt vastgesteld op 31 oktober 1998. Aan dit besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), nu zij beiden ingaande in ieder geval 9 oktober 1998 in dezelfde woning wonen en voorts aan het zorgcriterium wordt voldaan. Dat na eerdere controles geen gezamenlijke huishouding is aangenomen, betekent volgens de Svb niet dat appellant er op mocht vertrouwen dat over de voorliggende periode niet alsnog een gezamenlijke huishouding zou kunnen worden aangenomen, nu de Svb bij die controles door toedoen van appellant niet over de juiste informatie beschikte. De Svb heeft ook overigens geen aanleiding gezien om van volledig terugwerkende kracht van de intrekking af te zien of deze kennelijk onredelijk te achten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De Raad is van oordeel dat is voldaan aan het eerste criterium voor een gezamenlijke huishouding, te weten dat de betrokkenen het hoofdverblijf moeten hebben in dezelfde woning. Appellant en [betrokkene] waren immers op de datum in geding beiden woonachtig op het adres [adres] te [woonplaats] en niet is komen vast te staan dat dit pand was onderverdeeld in verschillende zelfstandige wooneenheden. Of aan dit (mede)gebruik eventueel een zakelijke overweging ten grondslag lag is niet van belang, nu de feitelijke vaststelling dat beiden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden voldoende is.

Het tweede criterium waaraan moet worden voldaan om te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding is dat de betrokkenen blijk geven van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Teneinde vast te stellen of aan het zorgcriterium wordt voldaan, heeft de Raad acht geslagen op de volgende uit de gedingstukken - in het bijzonder de processen-verbaal van de sociale recherche van 17 juli 2003 en 17 augustus 2004 - blijkende feiten en omstandigheden:

- appellant en [betrokkene] bewoonden ťťn kamer in voornoemde woning en deelden het gebruik van badkamer en keuken;
- er is geen zakelijke verdeling van de woonlasten overeengekomen;
- appellant en [betrokkene] hebben een gezamenlijk huishoudpotje ingesteld;
de betwisting daarvan in hoger beroep volgt de Raad niet, omdat appellant zelf dit huishoudpotje heeft genoemd bij de hoorzitting in de bezwaarprocedure op 12 oktober 2004 en hij daarop niet terugkomt bij zijn kritiek op het verslag daarvan bij brief van 9 november 2004;
- appellant en [betrokkene] hebben een gezamenlijke bankrekening geopend;
- appellant heeft aangegeven dat hij en [betrokkene] elkaar bij ziekte verzorgen;
- appellant en [betrokkene] gebruiken soms maaltijden gezamenlijk;
- appellant heeft aangegeven boodschappen te doen voor [betrokkene];
- appellant verricht administratieve werkzaamheden voor [betrokkene];
- [betrokkene] verricht werkzaamheden voor (de onderneming van) appellant;
- voor deze werkzaamheden wordt over en weer geen financiŽle vergoeding
betaald, evenmin zijn daarover anderszins zakelijke afspraken gemaakt;
- bij de politiecontacten over de dochter van [betrokkene] heeft appellant zich gepresenteerd als de partner van [betrokkene] en ook anderen hebben hem bij die gelegenheid als zodanig aangemerkt.

Deze feiten en omstandigheden laten tezamen en in onderling verband een financiŽle verstrengeling zien die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten, alsmede dat appellant en [betrokkene] ook anderszins blijk geven zorg te dragen voor elkaar.

Appellant is er voorts niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake was van een louter commerciŽle relatie.

De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de Svb en de rechtbank dat ook aan het tweede criterium, de wederzijdse zorg, is voldaan.

De Raad is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de Svb terecht heeft aangenomen dat appellant en [betrokkene] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Anw.

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. Ingevolge het tweede lid van artikel 16 van de Anw eindigt het recht op uitkering met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden zich voordoen.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Anw is de Svb verplicht het besluit tot toekenning van een uitkering in te trekken indien de uitkering ten onrechte is verleend.

In aanmerking genomen de datum van 9 oktober 1998, met ingang waarvan appellant en [betrokkene] elk hun hoofdverblijf hadden op het adres [adres], heeft de Svb terecht vastgesteld dat het recht op uitkering van appellant ingevolge artikel 16, eerste en tweede lid, van de Anw op 31 oktober 1998 eindigde. Appellant heeft weliswaar aan de Svb inlichtingen gegeven over zijn woonadres, maar daarbij - zo volgt uit het voorgaande - geen volledige openheid van zaken gegeven over de feitelijke situatie.

Gezien het voorgaande heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellant terecht met toepassing van artikel 34, eerste lid, van de Anw met ingang van 1 november 1998 ingetrokken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in het tweede lid van artikel 34 van de Anw, op grond waarvan de Svb de bevoegdheid toekomt geheel of gedeeltelijk van deze intrekking af te zien.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van Ham als voorzitter en C. van Viegen en W.I. Degeling als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) A.B.J. van de Ham.
  
(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x