Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AY4985
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2615 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 april 2005, 04/1817 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 4 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Grégoire. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellante is naar aanleiding van het overlijden van haar gewezen echtgenoot recht op een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet toegekend. Op 1 juli 1996 is de Algemene nabestaandenwet (Anw) in werking getreden en is het weduwenpensioen van appellante omgezet in een nabestaandenuitkering.

Naar aanleiding van een bij de Svb gerezen vermoeden dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met F.G. [B.] (hierna: [B.]) is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende nabestaandenuitkering. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is de gemeentelijke basisadministratie geraadpleegd, is diverse instanties (waaronder het waterbedrijf WML) om inlichtingen verzocht en zijn buurtbewoners/getuigen gehoord. Tevens hebben appellante en [B.] verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 maart 2004. De Svb is op basis van de onderzoeksresultaten tot de conclusie gekomen dat appellante zowel op 1 juli 1996 als op 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [B.]. Gelet daarop heeft de Svb bij besluit van 5 mei 2004 met toepassing van artikel 67, derde lid, van de Anw het recht op nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 januari 1998 herzien en verlaagd tot 30% van het nettominimumloon.

Bij brief van eveneens 5 mei 2004 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat zij als gevolg van de herziening € 41.948,93 teveel nabestaandenuitkering heeft ontvangen en aangekondigd dat bedrag van haar terug te vorderen.

Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft de Svb het bezwaar tegen het herzieningsbesluit van 5 mei 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat bij het besluit van 5 oktober 2004 niet is beslist over de terugvordering en dat tegen de herziening geen inhoudelijke gronden zijn aangevoerd. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de Svb bij het besluit van 5 oktober 2004 ten onrechte niet heeft beslist op haar bezwaar tegen de brief van 5 mei 2004 waarin haar is meegedeeld dat zij € 41.948,93 teveel nabestaandenuitkering heeft ontvangen en dat tot terugvordering zal worden overgegaan. Verder heeft zij aangevoerd dat in het kader van de behandeling van haar bezwaar, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe, niet alle stukken waarnaar in het rapport van 15 maart 2004 wordt verwezen ter inzage zijn gelegd. Ten slotte heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij ten tijde hier van belang geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [B.], maar dat dit pas sinds 1 januari 2004 - weer - het geval is.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad verwerpt de grief van appellante dat de Svb bij het besluit van 5 oktober 2004 ten onrechte niet heeft beslist op haar bezwaar tegen de brief van 5 mei 2004 en overweegt daartoe als volgt.

Bij brief van 8 juni 2004 heeft appellante de Svb meegedeeld dat zij zich niet kan verenigen met de 'beslissingen van 5 mei 2004'. Op 18 juni 2004 heeft de Svb de ontvangst van de brief van 8 juni 2004 bevestigd en daarbij aan appellante meegedeeld dat zij ook bezwaar heeft gemaakt tegen de terugvordering, maar dat dat niet mogelijk is omdat nog geen terugvorderingsbesluit is genomen. De Svb heeft voorts meegedeeld dat de in de brief van 8 juni 2004 genoemde argumenten tegen het aangekondigde terugvorderingsbesluit zullen worden beoordeeld bij het nemen van dat besluit. Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 25 juni 2004 € 41.989,93 van appellante teruggevorderd en daarbij verzocht de vordering met ingang van juli 2004 in 11 maandelijkse termijnen van € 3.495,75 en een termijn van € 3.495,67 aan de Svb te betalen. Tegen het besluit van 25 juni 2004 heeft appellante bij brief van 1 juli 2004 bezwaar gemaakt. Appellante heeft bij brief van eveneens 1 juli 2004 de gronden van het op 8 juni 2004 gemaakte bezwaar aangevuld. Uit het aanvullend bezwaarschrift blijkt niet dat appellante gronden aanvoert tegen de brief van 5 mei 2004. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat appellante haar bezwaar tegen de brief van 5 mei 2004 heeft gehandhaafd, zodat de Svb daaromtrent geen beslissing hoefde te nemen.

Anders dan de Svb is de Raad voorts van oordeel dat in hoger beroep de grieven van appellante tegen de herziening van het recht op nabestaandenuitkering aan de orde kunnen komen. Indien, zoals in onderhavig geval, een belanghebbende een grief tijdig kenbaar maakt aan de Raad en het bestuursorgaan in de gelegenheid is geweest gemotiveerd op die grief te reageren, staat geen geschreven of ongeschreven rechtsregel eraan in de weg deze grief in de beoordeling te betrekken. Niet gebleken is dat appellante met het aanvoeren van haar grieven tegen de herziening van het recht op nabestaandenuitkering buiten de grenzen van het geschil is getreden of in een eerdere fase van de procedure welbewust heeft afgezien bepaalde (mogelijke) gebreken van het besluit van 5 oktober 2004 aan de orde te stellen. De Raad merkt in dit verband op dat de opmerking in het beroepschrift van 19 oktober 2004 dat appellante meent dat de materiële beoordeling of er (in het verleden) sprake is (geweest) van een gezamenlijke huishouding niet het onderwerp was van de bezwaarprocedure, er slechts op wijst dat (gemachtigde van) appellante het besluit van 5 oktober 2004 verkeerd heeft gelezen.

De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de Svb in het kader van de behandeling van haar bezwaar niet alle stukken waarnaar in het rapport van 15 maart 2004 wordt verwezen ter inzage heeft gelegd, aangezien zij deze stelling niet met concrete en objectieve gegevens heeft onderbouwd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad ook desgevraagd niet heeft kunnen aangeven welke concrete stukken hij destijds niet heeft aangetroffen.

De Raad overweegt voorts als volgt.

Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Anw wordt van de persoon bedoeld in het eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding van deze wet (dat is: 1 juli 1996) een gezamenlijke huishouding voert en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 verminderd tot een bedrag van 30% van het brutominimumloon.

Van een gezamenlijke huishouding is op grond van artikel 3, derde lid, van de Anw sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Anw, voorzover hier van belang, bepaalt dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld.

De Raad is van oordeel dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [B.] op 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Anw hebben gevoerd. De Raad acht hierbij in het bijzonder van belang dat appellante op het door haar op 10 juli 1996 ingevulde en ondertekende formulier 'Onderzoek Samenwonen AWW/Anw-gerechtigde' heeft verklaard dat zij met [B.] op hetzelfde adres woont en dat de kosten van levensonderhoud sedert ongeveer drie jaar worden gedeeld.

Nu is vastgesteld dat appellante en [B.] op 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en zij derhalve op die datum voor de toepassing van de Anw met gehuwden zijn gelijkgesteld is, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Anw, voor de beantwoording van de vraag of appellante en [B.] op 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd uitsluitend van belang of zij op de laatstgenoemde datum hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

De voorhanden gegevens vormen ook naar het oordeel van de Raad een toereikende basis voor de conclusie dat appellante en [B.] op 31 december 1997 hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. De Raad heeft in dat verband mede acht geslagen op de verklaringen van [D.], [P.E. D.] en [v.d. V.] en de gegevens over het waterverbruik op het adres van appellante. De Svb heeft derhalve terecht aangenomen dat appellante op beide peildata (1 juli 1996 en 31 december 1997) een gezamenlijke huishouding voerde met [B.], zodat de nabestaanden uitkering van appellante op goede gronden per 1 januari 1998 is verlaagd tot 30% van het brutominimumloon.

Gelet op vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x