Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AY5560
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering nabestaanden- en halfwezenuitkering op de grond dat betrokkene niet met de overledene was gehuwd en het overlijden vóór de inwerkingtreding van de Anw op 1 juli 1996 heeft plaatsgevonden. Het onthouden van een halfwezenuitkering aan betrokkene in de onderhavige zaak levert een schending van artikel 26 van het IVBPR op.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/3332 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2003, 02/1922 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 21 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2006. Appellante is niet verschenen. De Svb zich heeft laten vertegenwoordigen door H. van der Most en H.J.M. de Wit.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante, geboren op 6 oktober 1966, heeft bij de Svb een aanvraag om nabestaanden- en halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) ingediend terzake van het overlijden op 25 maart 1996 van [vader], de vader van haar kind Emil Lanz. Appellante was met de overledene niet gehuwd of samenwonend. Uit de stukken is voorts gebleken dat [vader] de Zwitserse nationaliteit had en in Zwitserland gewoond en gewerkt heeft. Blijkens een telefoonrapport van 18 maart 2002 is aan het kind Emil een Zwitserse halfwezenrente toegekend.

Bij besluit van 8 februari 2002 heeft de Svb appellante medegedeeld dat zij geen recht heeft op een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), omdat zij niet gehuwd is geweest met haar partner. Voorts heeft de Svb bij dit besluit medegedeeld dat appellante geen recht heeft op een halfwezenuitkering ingevolge de Anw, omdat haar partner voor de inwerkingtreding van de Anw op 1 juli 1996 is overleden.
Bij beslissing op bezwaar van 18 maart 2002 heeft de Svb het tegen het besluit van 8 februari 2002 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard overwegende dat het onderscheid dat het AWW/Anw-stelsel teweeg brengt tussen nabestaanden uit een niet-huwelijkse relatie, van wie de levenspartner voor en van wie de partner na 1 juli 1996 is overleden, geen verboden onderscheid is. Hiertoe heeft de rechtbank verwezen naar vaste jurisprudentie van deze Raad waarin is geoordeeld dat met de discriminatieverboden zoals die bijvoorbeeld zijn neergelegd in internationale verdragen, niet beoogd is bescherming te bieden tegen nadelen (of het onthouden van voordelen) waarvan het al dan niet optreden wordt bepaald door het aan wetswijziging inherente tijdsaspect.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is in geding of de Svb terecht heeft geweigerd een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering ingevolge de Anw aan appellante toe te kennen op de grond dat appellante niet met de overledene was gehuwd en het overlijden vóór de inwerkingtreding van de Anw op 1 juli 1996 heeft plaatsgevonden.



Het wettelijk stelsel

De wetgever heeft in de Anw het recht op een nabestaandenuitkering en op een halfwezenuitkering gekoppeld aan de status van nabestaande in de zin van de wet, zijnde dit de echtgenoot (en de daarmee ingevolge de Anw gelijkgestelde) van een persoon die op de dag van overlijden ingevolge de Anw verzekerd was. Aldus kan een aanspraak op bedoelde uitkeringen, behoudens het overgangsrecht van hoofdstuk 8 van de wet, slechts ontstaan in het geval dat de verzekerde gebeurtenis onder de vigeur van de Anw heeft plaatsgevonden. In lijn hiermee bepaalt artikel 105 Anw dat de AWW van toepassing blijft op de rechten, verplichtingen en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen vóór de dag waarop de Anw in werking treedt. De aanspraak op Anw-uitkeringen terzake van overlijden dat vóór de inwerkingtreding van die wet heeft plaatsgehad, is ingevolge eerdergenoemd overgangsrecht in algemene zin beperkt tot die gevallen waarin dat overlijden tot een aanspraak op uitkering krachtens de AWW heeft geleid. Dit betekent dat de vraag of appellante recht heeft op een nabestaandenuitkering en halfwezenuitkering beoordeeld moet worden aan de hand van de AWW zoals die tot 1 juli 1996 luidde.
Ingevolge de AWW heeft alleen recht op een weduwenpensioen de weduwe van wie de verzekerde echtgenoot komt te overlijden. Nu appellante niet met de overledene was gehuwd komt derhalve binnen dit wettelijk stelsel aan appellante terzake van het overlijden van [vader] op 25 maart 1996 noch ten behoeve van haarzelf, noch ten behoeve van haar zoon Emil op grond van de AWW een uitkering toe, en derhalve ook geen Anw-uitkering.

In vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak d.d. 10 maart 1999 inzake 98/240 Anw, LJN ZB8192) heeft deze Raad uitgesproken dat dit stelsel inderdaad een onderscheid teweeg brengt tussen nabestaanden uit een niet-huwelijkse relatie van wie de levenspartner vóór, en van wie die partner na 1 juli 1996 is overleden. De Raad heeft in dit onderscheid echter geen onverenigbaarheid gezien met enige rechtstreeks inroepbare rechtsnorm waardoor hij gehouden zou zijn dit onderscheid geheel of ten dele ongedaan te maken. De Raad heeft hiertoe overwogen dat discriminatieverboden, als bijvoorbeeld neergelegd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten, Trb. 1978, 177 (IVBPR), niet beogen bescherming te bieden tegen nadelen (of tegen het onthouden van voordelen) waarvan het al dan niet optreden wordt bepaald door het aan wetswijziging inherente tijdsaspect. Evenmin bestaat er in algemene zin een (afdwingbare) rechtsplicht voor de wetgever die bij wijziging of herziening, dan wel het tot stand brengen, van een regeling aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbindt waarin voorheen niet was voorzien, voor die oude gevallen overeenkomstige rechtsgevolgen in het leven te roepen. In zoverre heeft de Raad geen grond gezien voor het oordeel dat de weigering een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering ingevolge de Anw toe te kennen, in rechte aantastbaar zou zijn.



De klacht bij het Mensenrechtencomité

Betrokkene in bovengenoemde zaak 98/240 heeft namens zichzelf en haar dochter na de uitspraak van de Raad een klacht ingediend bij het Comité voor de rechten van de Mens als bedoeld in artikel 28 van het IVBPR, geregistreerd onder klachtnummer 976/2001 inzake Derksen & Bakker vs Nederland. In die klacht heeft betrokkene gesteld dat zij en haar kind slachtoffer zijn van een schending door Nederland van artikel 26 van het IVBPR op drie onderdelen, aangezien
- de nieuwe wetgeving die voorziet in gelijke rechten voor gehuwde en ongehuwde nabestaanden wier partner is overleden, niet wordt toegepast op gevallen waarin de ongehuwde partner voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet overleden is;
- het onderscheid dat voor de wetswijziging werd gemaakt tussen halfwezen wier ouders gehuwd waren en wier ouders dat niet waren wordt gehandhaafd voor halfwezen van ongehuwde ouders van wie een van de ouders is overleden voor 1 juli 1996;
- het onderscheid tussen halfwezen naar status van de ouders onder de AWW ongeoorloofd was.



Het Comité

Het Comité heeft op 1 april 2004 zijn Inzichten vastgesteld. Het laatste onderdeel van de klacht heeft het Comité niet-ontvankelijk geoordeeld omdat betrokkene de beschikbare nationale rechtsmiddelen tegen de afwijzing van een AWW-pensioen niet had uitgeput. Wat betreft het eerste onderdeel van de klacht heeft het Comité verwezen naar zijn eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat het maken van onderscheid tussen gehuwde en ongehuwde paren niet neerkomt op een schending van artikel 26 van het IVBPR, aangezien gehuwde en ongehuwde paren onder uiteenlopende juridische regelingen vallen en de beslissing al dan niet door middel van het huwelijk een juridische status te verkrijgen volledig aan de samenwonende partners is. Door de invoering van de nieuwe wetgeving heeft de Staat voorzien in een gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden ten behoeve van de uitkeringen aan nabestaanden. Gelet op het feit dat het in de praktijk maken van onderscheid tussen gehuwde en ongehuwde paren in het verleden geen verboden discriminatie vormde, is het Comité de mening toegedaan dat de Staat niet verplicht was de wijziging terugwerkende kracht te verlenen. Het Comité acht het toepassen van wetgeving op alleen nieuwe gevallen niet in strijd met artikel 26 van het Verdrag.

De weigering van de halfwezenuitkering ten behoeve van de dochter heeft het Comité echter wel als een verboden discriminatie op grond van artikel 26 IVBPR aangemerkt. Het Comité heeft hiertoe het volgende overwogen:
“Het Comité herinnert eraan dat artikel 26 zowel directe als indirecte discriminatie verbiedt, waarbij in het laatste geval gedacht moet worden aan regels of maatregelen die op het eerste gezicht neutraal en niet discriminatoir lijken maar desondanks tot discriminatie leiden vanwege de onevenredig negatieve consequenties ervan voor uitsluitend een bepaalde categorie personen. Toch is een onderscheid alleen een vorm van verboden discriminatie in de zin van artikel 26 van het Verdrag indien het niet gebaseerd is op objectieve en redelijke criteria. Naar aanleiding van de onderhavige zaak stelt het Comité vast dat de pensioenen van kinderen onder de oude AWW afhingen van de status van hun ouders, dus wanneer die ongehuwd waren, kwamen de kinderen niet in aanmerking voor een pensioen. Op grond van de nieuwe Anw worden uitkeringen geweigerd aan kinderen die voor 1 juli 1996 geboren zijn uit ongehuwde ouders, maar aan kinderen in dezelfde situatie geboren na 1 juli 1996 wordt wel een uitkering toegekend. Het Comité acht het onderscheid tussen kinderen geboren uit een huwelijk of na 1 juli 1996 buiten een huwelijk enerzijds en kinderen geboren voor 1 juli 1996 buiten een huwelijk anderzijds niet gebaseerd op redelijke gronden. Bij deze conclusie benadrukt het Comité dat de autoriteiten zich wel degelijk bewust waren van het discriminatoire effect van de AWW toen zij besloten de nieuwe wet in te voeren teneinde iets te doen aan de situatie van dat moment en dat zij eenvoudig een einde hadden kunnen maken aan de discriminatie van kinderen geboren voor 1 juli 1996 uit een niet-huwelijkse relatie door de reikwijdte van de nieuwe wet tot hen uit te breiden. De discriminatie van kinderen die geen zeggenschap hebben gehad bij de keuze van hun ouders al dan niet in het huwelijk te treden had met of zonder terugwerkende kracht beëindigd kunnen worden. Aangezien de klacht echter alleen ontvankelijk is verklaard voor de periode na 1 juli 1996, richt het Comité zich alleen op het nalaten van de Staat om vanaf die datum een eind te maken aan de discriminatie die naar de opvatting van het Comité ten opzichte van Kaya Marcella Bakker een schending van artikel 26 vormt jegens wie een halfwezenuitkering via haar moeder is geweigerd uit hoofde van de Anw.”



Reactie Nederlandse Regering

In zijn reactie op de Inzichten van het Comité heeft de Regering neergelegd dat hij de conclusie van het Comité niet kan delen (gepubliceerd in Staatscourant 30 augustus 2004, nr. 165). De Regering kan niet inzien hoe sprake kan zijn van ongelijke behandeling in een situatie waarin geen van de te vergelijken groepen aan een regeling een aanspraak kan ontlenen, nu geen enkele halfwees in het kader van de nabestaandenvoorziening een eigen recht op uitkering heeft, ook niet halfwezen die zijn geboren uit een huwelijkse of een niet-huwelijkse relatie die na 1 juli 1996 tot een einde is gekomen door de dood van één van de ouders. Naar de mening van de Regering kan alleen slachtoffer van directe of indirecte discriminatie zijn degene aan wie rechten worden ontzegd die aan anderen in dezelfde situatie wel worden toegekend. In casu zou dat de achterblijvende ouder zijn omdat deze degene is aan wie de (verhoogde) uitkering wordt toegekend en die er geheel naar eigen goeddunken over kan beschikken. Hoewel de verhoging wordt toegekend ter bestrijding van de kosten van onderhoud van minderjarige kinderen beschikt de Staat niet over enig instrument om te garanderen of te verifiëren dat deze daartoe ook inderdaad wordt aangewend. Echter, ten aanzien van de rechthebbende, de achterblijvende ouder, heeft het Comité nu juist bepaald dat het niet toepassen van de nieuwe regeling op oude gevallen géén discriminatie in de zin van artikel 26 oplevert. De Regering kan het Comité dan ook niet volgen in de redenering dat dit met betrekking tot de uitkering ten behoeve van de halfwees anders zou zijn. De Regering heeft voor haar opvatting steun gevonden in de uitspraak van 16 december 2003 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de vergelijkbare zaak Van den Bouwhuijsen en Schuring tegen Nederland, klachtnummer 44658/98. Het Hof wees er in die uitspraak op dat de gevraagde uitkering voor de halfwees onder de AWW niet was geweigerd, omdat deze uit een niet-huwelijkse relatie was geboren, maar omdat de AWW niet voorzag in een recht op uitkering voor de halfwees. De Regering heeft hieruit afgeleid dat het ontzeggen van een uitkering aan iemand die op basis van de desbetreffende regeling per definitie geen aanspraak kan maken op een uitkering niet kan worden gekwalificeerd als discriminatie.



De Svb

Aangezien de onderhavige zaak van appellante grote verwantschap vertoont met bovengenoemde zaak Derksen & Bakker vs Nederland heeft de Raad aan de Svb de vraag voorgelegd of zij haar standpunt in de onderhavige zaak handhaaft in het licht van de Inzichten van het Comité.

De Svb heeft in zijn reactie allereerst opgemerkt dat de Inzichten van het Comité geen bindende kracht hebben en daarom slechts van invloed zijn op de onderhavige zaak voorzover de inhoudelijke argumenten van het Comité daartoe dwingen. De Svb meent dat zulke inhoudelijke argumenten ontbreken en dat de Inzichten derhalve geen aanleiding kunnen vormen voor deze Raad om terug te komen van zijn vaste jurisprudentie. De Svb onderschrijft het standpunt van de Regering en voegt daar onder andere nog aan toe dat het Comité zijn oordeel heeft gebaseerd op een onjuiste uitleg van de AWW en het in de Anw vervatte overgangsrecht nu het overgangsrecht louter onderscheid maakt naar de datum waarop de ouder is overleden en niet naar de datum waarop het kind is geboren. De Svb ziet dan ook in de Inzichten van het Comité geen aanleiding zijn standpunt in de onderhavige zaak niet te handhaven.



Het oordeel van de Raad

Wat betreft de vraag of appellante zelf slachtoffer is van schending van artikel 26 van het IVBPR verwijst de Raad naar zijn - deels hierboven weergegeven - vaste rechtspraak waarin de Raad zich op het standpunt heeft gesteld dat het onderscheid tussen gehuwde en ongehuwde paren onder de AWW geen verboden onderscheid vormde en dat er geen rechtsplicht voor de wetgever bestond om aan de opheffing van dit onderscheid overeenkomstige rechtsgevolgen te verbinden voor de oude gevallen. De Raad heeft in de Inzichten van het Comité geen aanleiding gevonden om van zijn eerdere jurisprudentie op dit punt terug te komen.

De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of artikel 26 van het IVBPR met zich meebrengt dat de weigering van een halfwezenuitkering aan appellante geen stand kan houden.

Partijen verschillen er in dit verband in de eerste plaats over van mening welke waarde moet worden gehecht aan de Inzichten van het Comité. Hoewel deze Inzichten formeel gesproken niet bindend zijn is de Raad van oordeel dat inzichten van een internationaal comité op het gebied van de mensenrechten in het algemeen als een gezaghebbend oordeel aangemerkt moeten worden, waaraan in procedures als de onderhavige bijzondere betekenis toekomt. Van een dergelijk oordeel kunnen nationale rechterlijke instanties slechts afwijken wanneer sprake is van zwaarwegende redenen die zulks kunnen rechtvaardigen.

De Regering heeft zijn standpunt om het Comité niet te volgen met name gebaseerd op de omstandigheid dat er geen sprake is van ongelijke behandeling tussen twee verschillende groepen omdat geen van de te vergelijken groepen aan de regeling een zelfstandige aanspraak kan ontlenen. Onder de Anw bestaat immers voor de nabestaande of de verzorger van het kind aanspraak op halfwezenuitkering ten behoeve van het kind en heeft het kind geen zelfstandig recht op uitkering.
Hoewel de visie van de Regering formeel niet als onjuist kan worden aangemerkt en daargelaten of het Comité is uitgegaan van de juiste aard van de halfwezenuitkering, acht de Raad dit gegeven niet van doorslaggevende betekenis om het Comité niet te volgen. Weliswaar ontleent de halfwees geen eigen recht op een halfwezenuitkering aan de Anw (de uitzondering van artikel 1 sub f onder 2 van de Anw daargelaten), doch deze uitkering is blijkens de wetsgeschiedenis wel bedoeld als bijdrage aan het onderhoud en de verzorging van kinderen die door het overlijden van de ouder in financieel opzicht compensatie behoeven. Bewust is door de wetgever gekozen voor een van het inkomen of positie van de ouder/verzorger onafhankelijke halfwezenuitkering om de verzorging en begeleiding van kinderen die nog niet voor zichzelf kunnen zorgen, te faciliteren. Hierbij is - anders dan voordien bij de AWW, waarbij de kosten van de huishouding van de overblijvende ouder voorop stonden - de bescherming van de achterblijvende kinderen nagestreefd. Nu de rechtsgrond voor de halfwezenuitkering is gelegen in het onderhouden van het kind dient aan het eigen belang dat het kind bij deze uitkering heeft een bijzonder gewicht te worden gehecht.
Het argument dat alleen de ouder/verzorger recht heeft op de uitkering en het kind daarom geen slachtoffer kan zijn van indirecte discriminatie kan de Raad dan ook niet delen. De Raad sluit hierbij tevens aan op recente jurisprudentie (vide onder meer de zaken 00/744 AKW, LJN AT4754, 05/3621 WWB, LJN AV0197 en 02/5135 Anw, LJN AT7628) waarin het uitgangspunt is aanvaard dat criteria ter beoordeling van een aanspraak op uitkering die ten behoeve van een kind aan de ouders wordt toegekend ten aanzien van het kind zelf discriminerend kunnen zijn. Van belang is hierbij geacht of het doel van de wetgeving een zeer gewichtige reden oplevert voor het gemaakte onderscheid op grond van geboorte binnen dan wel buiten huwelijk en of de betrokkenen hun status zelf hadden kunnen of alsnog kunnen doen wijzigen, op een wijze die ertoe leidt dat niet langer sprake is van een verschil in behandeling.

De Raad ziet in deze lijn ook geen onverenigbaarheid met het door de Regering aangehaalde standpunt van het EHRM in de zaak Van den Bouwhuysen en Schuring nu in die zaak geen toetsing aan het in artikel 14 van het EVRM vervatte discriminatieverbod heeft plaatsgevonden. In die zaak heeft het Hof geen toereikend verband met het door het ingeroepen Protocol bij het EVRM beschermde recht op ongestoord genot van eigendom aanwezig geacht, omdat betrokkenen niet voldeden aan de wettelijke voorwaarden om voor de uitkering in aanmerking te komen; er was immers geen zelfstandig recht voor of ten behoeve van halfwezen onder de AWW. Nu geen sprake was van een “possession” in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol, viel de situatie buiten het bereik van het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM en is de klacht kennelijk ongegrond en niet-ontvankelijk verklaard. Ook overigens kan de Raad aan die uitspraak geen beslissende betekenis toekennen nu in die zaak een aanspraak op halfwezenuitkering op grond van de AWW alsmede een ingeroepen verboden onderscheid onder vigeur van die wet ter beoordeling voorlag, terwijl het Comité het recht op halfwezenuitkering heeft beoordeeld onder de Anw, in welke wet - zoals hierboven reeds uiteengezet - anders dan onder de AWW wel een voorziening ten behoeve van halfwezen is getroffen.
De Raad concludeert dan ook dat in de argumenten van de Regering geen gewichtige redenen kunnen worden gevonden om het Comité in zijn oordeel niet te volgen.

De Svb heeft voorts nog gewezen op onderdelen in de Inzichten waarin het Comité lijkt te zijn uitgegaan van de verkeerde veronderstelling als zou onder de Anw onderscheid worden gemaakt naar de geboortedatum van de kinderen, terwijl juist de overlijdensdatum van de (ongehuwde) ouder bepalend is voor het (indirecte) onderscheid. Immers, indien het overlijden van een ouder voor 1 juli 1996 heeft plaatsgevonden, derhalve onder de vigeur van de AWW, en de overlevende ouder had geen recht op AWW omdat deze niet met de overledene gehuwd was, ontstond ingevolge het overgangsrecht ook na 1 juli 1996 geen recht op een halfwezenuitkering ten behoeve van het kind. Hoewel de Svb kan worden toegegeven dat in de Anw geen onderscheidend criterium naar de geboortedatum van het kind kan worden gevonden heeft de overgangsregeling wel als onderscheidend effect dat zij in haar uitwerking in hoofdzaak kinderen treft die voor 1 juli 1996 buiten huwelijk zijn geboren en van wie één van de ouders voor die datum is overleden. De Raad maakt uit de bewoordingen en inhoudelijke argumenten van het Comité in de Inzichten op dat het Comité met betrekking tot zijn oordeelsvorming kennelijk deze consequentie voor ogen heeft gehad. De Raad ziet in de aangehaalde foutieve neerslag van de Nederlandse nabestaandenwetgeving in de Inzichten geen doorslaggevende reden om het Comité in zijn eindoordeel niet te volgen.

Geleid door de Inzichten van het Comité in de zaak Derksen & Bakker vs Nederland stelt de Raad zich in de onderhavige zaak thans op het standpunt dat zijn rechtspraak heroverweging behoeft.

Vastgesteld kan worden dat kinderen als de zoon van appellante getroffen worden door een onderscheid waarvoor de wettigheid van geboorte bepalend is. Dit vloeit voort uit het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden zoals dit gold onder de AWW, welk onderscheid als zodanig niet discriminatoir is geacht. Hoewel de wetgever zich bewust was van dit onderscheid onder de AWW en onder de Anw beoogd heeft dit onderscheid op te heffen is een overgangsrecht in de Anw gecreëerd wat dit onderscheidend effect is blijven sorteren voor de kinderen van wie de niet-gehuwde ouder voor 1 juli 1996 is overleden. Uitgangspunt bij het overgangsrecht was dat de Anw ook zou gelden voor bestaande AWW-gerechtigden, waarbij het AWW-pensioen van weduwen met een hoog weduwenpensioen werd omgezet in een nabestaandenuitkering en halfwezenuitkering ingevolge de Anw. Het betoog van de Svb ter zitting van de Raad dat het overgangsrecht in de Anw een eerbiedigende werking weerspiegelt naar eerdere onder de AWW verkregen rechten en dat om die reden geen aanspraak is gecreëerd op nieuwe rechten voor overlijdensgevallen die zich onder de AWW hadden voorgedaan, kan de Raad niet volgen voorzover is bedoeld dat hiermee de rechtvaardiging is gegeven voor de jegens de kinderen op geboorte berustende (langdurige) discriminatoire doorwerking na 1 juli 1996. De Raad heeft voor dit oordeel van doorslaggevend belang geacht dat anders dan bij de ouders wordt verondersteld het geval te zijn het kind zijn status van onwettig kind niet zelf heeft kunnen bepalen of in relevante mate heeft kunnen beïnvloeden of (doen) wijzigen, op een wijze die ertoe leidt dat niet langer sprake is van een verschil in behandeling als hiervoor bedoeld. De keuze om niet te huwen en het eventueel daaruit voortvloeiende risico dat hierdoor geen aanspraak op een uitkering kan worden gemaakt is niet door het kind gemaakt en levert dan ook vanuit de beschermingswaardige positie van het kind gezien geen toereikende rechtvaardigingsgrond op voor de ongelijke behandeling die hieruit - na de inwerkingtreding van de Anw - nog langdurig voortvloeit voor de kinderen. Dat aan de halfwees geen zelfstandig recht op uitkering toekomt heeft de Raad - zoals reeds hierboven is overwogen - gezien de doelstelling van de halfwezenuitkering niet tot een ander oordeel gebracht.

De Raad concludeert derhalve dat het onthouden van een halfwezenuitkering aan appellante in de onderhavige zaak een schending van artikel 26 IVBPR oplevert. Dit betekent dat het bestreden besluit wat betreft de aanspraak op de halfwezenuitkering op een onjuiste grondslag berust en in zoverre dient te worden vernietigd evenals de aangevallen uitspraak waarin het beroep van appellante op dat punt ongegrond is geacht. De Svb dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Van voor vergoeding in aanmerking te nemen proceskosten is de Raad niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op het recht op halfwezenuitkering van appellante ten behoeve van haar zoon Emil vanaf 1 juli 1996;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Bepaalt dat de Svb in zoverre een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het griffierecht ad € 116,- aan appellante vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x