Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AY6715
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding. Is er sprake van wederzijdse verzorging?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3314 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 april 2005, 04/2005 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 22 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.J.M. Golstein, advocaat te Kerkrade, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Golstein. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L.F.B. Metz, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 1 maart 1997 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Naar aanleiding van een op 17 december 2003 ingekomen anonieme tip dat appellante al enige tijd samenwoont met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft de sociale recherche van de Sociale verzekeringsbank een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn diverse instanties om inlichtingen verzocht en zijn appellante en [betrokkene] gehoord alsmede diverse getuigen. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 juni 2004.
De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 9 juli 2004 het recht op de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 31 maart 2002 te beŽindigen (lees: in te trekken). De besluitvorming berust op de overweging dat appellante vanaf 22 maart 2002 tot en met 31 januari 2004, zonder daarvan mededeling aan de Svb te doen, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [betrokkene].

Bij besluit van dezelfde datum is appellante met ingang van 1 februari 2004 weer een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW toegekend in verband met herleving van het recht op ANW-uitkering. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij besluit van 2 november 2004 heeft de Svb het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit van 9 juli 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 november 2004 ongegrond verklaard.
  
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw - voor zover van belang - eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van een hulpbehoevende. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven en de aard van de onderlinge relatie niet van belang.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Zoals de Raad bij herhaling heeft uitgesproken behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen niet in de weg te staan aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [betrokkene] gedurende de gehele periode in geding hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellante. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de door appellante en [betrokkene] tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, die in grote lijnen steun vinden in de verklaringen van de getuigen [C.] en [D.], buurtbewoners van appellante. De Raad acht verder onder meer van belang dat [betrokkene] zijn post liet bezorgen op het adres van appellante, dat bij zijn werkgever in de periode van 1 april 2002 tot 1 februari 2004 het adres van appellante als zijn woonadres bekend was en dat [betrokkene] medio januari 2004 op het adres van appellante nog gesproken heeft met een assurantieadviseur. Verder acht de Raad in dit verband van belang dat tegen de ingangsdatum van de per 1 februari 2004 toegekende nabestaandenuitkering geen bezwaar is gemaakt.

Voorts moet worden bezien of ook aan het tweede criterium, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan.
Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en de daarmee samenhangende lasten. Indien van een zodanige financiŽle verstrengeling niet of slechts in geringe mate is gebleken kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Naar het oordeel van de Raad is ook aan het tweede criterium voldaan. Vast staat dat appellante en [betrokkene] vaak gezamenlijk de maaltijden gebruikten en boodschappen deden. [Betrokkene] deed klusjes rond de woning van appellante en samen werd in de weekends naar de caravan van appellante in Baarlo gegaan. Verder werden er diverse gezamenlijke activiteiten ondernomen waaronder bezoek aan familie en vrienden en een gezamenlijke vakantie naar familie in Canada.

In het licht van het vorenstaande kent de Raad aan de door appellante in hoger beroep ingediende getuigenverklaringen niet die waarde toe die appellante daaraan gehecht wil zien.

De Raad is, gelet op vorenstaande, van oordeel dat over de periode van 22 maart 2002 tot en met 31 januari 2004 sprake was van het voeren van een gezamenlijke huishouding anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.
  
De Svb heeft de nabestaandenuitkering van appellante derhalve terecht, met toepassing van artikel 34, eerste lid, van de Anw ingetrokken. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw, op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending
beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x