Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AY7683
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding. Is er sprake van een meerpersoonshuishouding? Afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2863 ANW en 06/993 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 april 2004, nr. 03/3590 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 5 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden, voorzover het de Sociale verzekeringsbank betreft. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante heeft mr. J.J.M. van Asten, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2005. Appellante en mr. Van Asten zijn (met bericht) niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M.H. Geubbels, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

De Raad heeft vervolgens besloten tot heropening van het onderzoek, teneinde de Svb in de gelegenheid te stellen een nader besluit op bezwaar in het geding te brengen.

De Svb heeft een herzien besluit op bezwaar van 7 februari 2006 aan de Raad gezonden.

Bij brief van 21 juli 2006 heeft appellante daarop gereageerd.

De zaak is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 augustus 2006. Partijen zijn (met bericht) niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving van de Svb een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), welk pensioen per 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Naar aanleiding van een melding dat op het adres van appellante ook de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) staat ingeschreven, heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. In dat kader heeft appellante op 2 december 2001 met behulp van haar schoonzoon een zogenoemd vragenformulier leefvorm AOW/Anw ingevuld en ondertekend. Dat formulier is vervolgens aan de Svb gezonden.

Op basis van het vermoeden dat appellante niet langer recht heeft op een Anw-uitkering, is de uitkering bij besluit van de Svb van 15 januari 2002 met ingang van januari 2002 geschorst. Bij besluit van 7 februari 2002 heeft de Svb de Anw-uitkering van appellante met ingang van 31 oktober 1997 ingetrokken op de grond dat zij vanaf 3 oktober 1997 een gezamenlijke huishouding met [betrokkene] heeft gevoerd.

Bij besluit van 25 april 2002 heeft de Svb, nadat was gebleken dat [betrokkene] was uitgeschreven van het adres van appellante, appellante meegedeeld dat haar recht op uitkering met ingang van 1 maart 2002 herleeft.

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 15 januari 2002 en 7 februari 2002 ongegrond verklaard.

De sociale recherche van de Sociale verzekeringsbank heeft voorts ten aanzien van appellante een proces-verbaal uitkeringsfraude opgemaakt. Dit proces-verbaal, dat ten behoeve van het verdere opsporingsonderzoek aan het Openbaar Ministerie is gezonden, is gesloten op 23 januari 2003.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2002 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voorzover het betreft de intrekking van de Anw-uitkering. Daarbij heeft zij aangevoerd dat [betrokkene] weliswaar vanaf 29 april 1998 op haar adres aan de [adres] te [woonplaats 2] ingeschreven heeft gestaan, maar dat zij geen gezamenlijke huishouding met hem heeft gevoerd.

Bij herzien besluit op bezwaar van 7 februari 2006 - voor zover in dit geding van belang - heeft de Svb vastgesteld dat het recht van appellante op Anw-uitkering eindigt op 31 januari 1998. Daarbij is overwogen dat in de periode van 3 oktober 1997 tot medio januari 1998, gedurende welke periode op het adres van appellante tevens haar dochter [dochter] heeft verbleven, sprake is geweest van een meerpersoonshuishouding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad merkt het besluit van de Svb van 7 februari 2006 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien de Svb met dat besluit niet geheel aan appellante tegemoet is gekomen, zal de Raad dit besluit op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb in de beoordeling betrekken.

De Raad stelt voorts vast dat het besluit van 7 februari 2006 geheel in de plaats is getreden van hetgeen in het eerdere besluit van 30 oktober 2002 omtrent de intrekking van de Anw-uitkering is besloten, zodat appellante geen belang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dit brengt mee dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Derhalve resteert de vraag of het besluit van 7 februari 2006 in rechte stand kan houden.

In artikel 16 eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.

Van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Anw is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb terecht aangenomen dat [betrokkene] vanaf oktober 1997 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Appellante heeft op het vragenformulier leefvorm AOW/ANW aangegeven dat [betrokkene] vanaf 3 oktober 1997 bij haar woont. In het kader van het opsporingsonderzoek heeft zij in gelijke zin verklaard. Haar verklaring wordt op dit punt bovendien ondersteund door de verklaring van een dochter en een schoonzoon, die bij dat onderzoek als getuigen zijn gehoord. Dat [betrokkene] pas op 29 april 1998 in de gemeentelijk basisadministratie (GBA) is ingeschreven op het adres van appellante doet aan het feitelijke hoofdverblijf van [betrokkene] bij appellante geen afbreuk. Aan het eerste criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is derhalve voldaan.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van wederzijdse verzorging.
Die kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermede samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken, waaronder met name het door appellante ingevulde vragenformulier leefvorm AOW/Anw, een toereikende grondslag voor het standpunt van de Svb dat ook aan het tweede criterium is voldaan. De Raad verwijst verder kortheidshalve naar het besluit van de Svb van 7 februari 2006 en naar de aangevallen uitspraak waarin de belangrijkste aspecten van de wederzijdse zorg zijn opgesomd.

Van de zijde van appellante is aangevoerd dat zij niet mag worden gehouden aan hetgeen zij op het vragenformulier heeft ingevuld, onder meer omdat appellante de (bedoeling van de) vragen niet goed heeft kunnen begrijpen. De Raad volgt appellante daarin niet, waartoe de Raad in de eerste plaats overweegt dat de schoonzoon van appellante in het kader van het opsporingsonderzoek heeft verklaard - samengevat - dat hij dit formulier in samenspraak met haar naar waarheid heeft ingevuld, waarna appellante het formulier heeft ondertekend. Voorts komen de op het vragenformulier vermelde aspecten van wederzijdse zorg goeddeels overeen met hetgeen daaromtrent blijkt uit de verklaringen die [betrokkene], appellante, haar twee dochters en haar schoonzoon in het kader van het opsporingsonderzoek hebben afgelegd.

De Raad volgt de Svb voorts in zijn standpunt dat niet kan worden gesproken van een commerciële onderhuurrelatie. Niet is gebleken dat aan de relatie een overeenkomst ten grondslag ligt waaruit de prestaties over en weer blijken. Voorts ontbreken bewijzen van betaling. In aanmerking genomen de wederzijds verleende zorg, is de Raad bovendien van oordeel dat in de situatie van appellante en [betrokkene] hetgeen in een commerciële relatie gebruikelijk is wordt overschreden.

Uit het besluit van 7 februari 2006 blijkt dat de Svb onderzoek heeft gedaan naar de vraag in hoeverre vanaf 3 oktober 1997 sprake is geweest van een meerpersoonshuishouding. Uit de GBA is gebleken dat in de periode van 16 september 1997 tot en met 18 oktober 1998 op het adres van appellante tevens haar dochter [dochter] ingeschreven heeft gestaan. Deze dochter is op 19 november 2002 door de sociale recherche gehoord. Bij die gelegenheid heeft zij verklaard, zo blijkt uit het desbetreffende proces-verbaal, dat zij de woning van appellante aan het begin van 1998 heeft verlaten teneinde op zichzelf te gaan wonen op het adres [adres 2] in [woonplaats 2]. Bij brief van 14 december 2005 heeft de Svb aan appellante gevraagd kenbaar te maken en aan te tonen gedurende welke periode(n) vanaf 1997 haar kinderen op haar adres woonachtig zijn geweest. Bij brieven van 10 en 30 januari 2006 heeft de Svb dat verzoek herhaald. Het standpunt van de Svb dat appellante op deze brieven geen enkele reactie heeft gegeven, is door appellante niet weersproken. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de Svb bij gebreke van andersluidende gegevens terecht is uitgegaan van de verklaring van [dochter] en slechts het bestaan van een meerpersoonshuishouding heeft aangenomen gedurende de periode - voor zover in dit geding van belang - van 3 oktober 1997 tot aan het vertrek van [dochter] van het adres van appellante in de loop van januari 1998.

Tegen de achtergrond van al hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Raad onvoldoende grondslag voor het standpunt van appellante dat het onderzoek van de Svb niet deugdelijk is geweest.

Gelet op het voorafgaande was de Svb gehouden de uitkering van appellante met toepassing van artikel 34, eerste lid, van de Anw wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met ingang van februari 1998 in te trekken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw op grond waarvan de Svb bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van de intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.

Het voorgaande betekent dat het beroep voor zover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 7 februari 2006 ongegrond moet worden verklaard.

Dat brengt mee dat er geen grond is voor inwilliging van het verzoek van appellante om veroordeling van de Svb tot schadevergoeding, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten die appellante heeft gemaakt tot de datum waarop het nieuwe besluit op bezwaar bekend is gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 7 februari 2006 ongegrond;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;
Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 131,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) L. Jörg.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x