Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AZ4072
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de nabestaandenuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/97 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Ďs-Hertogenbosch van 29 november 2005, 04/1308 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 30 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 06/98 AOW, plaatsgevonden op 19 oktober 2006, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Tevens is daar verschenen de door appellante meegebrachte getuige [getuige]. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden, voorzover het de Sociale verzekeringsbank betreft. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving een pensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, dat per 1 juli 1996 is omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Naar aanleiding van bij de Svb ingekomen informatie dat appellante zou samenwonen met [partner] (verder te noemen: [partner]) heeft de sociale recherche van de Svb een opsporingsonderzoek ingesteld. In het kader daarvan zijn appellante en [partner] op 29 september 2003 verhoord. Op grond van de bevindingen van het onderzoek, welke zijn neergelegd in een rapport van 14 oktober 2003, is de Svb tot de conclusie gekomen dat appellante en [partner] vanaf juni 1997 een gezamenlijke huishouding voeren. Bij besluit van 20 oktober 2003 heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 juli 1997 beŽindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 13 april 2004 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank kwam tot het oordeel dat de Svb zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante en [partner] vanaf juni 1997 een gezamenlijke huishouding voerden en dat, nu niet is aangevoerd of gebleken dat appellante en [partner] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning in verband met de verzorging van een hulpbehoevende, de Svb de nabestaandenuitkering terecht met ingang van 1 juli 1997 heeft ingetrokken.

Appellante heeft de juistheid van dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad staat in dit geding primair voor de beantwoording van de vraag of de Svb terecht heeft aangenomen dat appellante en [partner] vanaf juni 1997 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 3, derde lid, (voor 1 januari 1998: tweede lid) van de Anw. Op grond van deze bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen door betrokkenen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan, indien redelijkerwijs aannemelijk is dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van die woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het oordeel dat appellante en [partner] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Daarbij heeft de Raad in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de door appellante en [partner] ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en door hen ondertekende verklaringen. Appellante heeft onder meer verklaard dat [partner] sedert het voorjaar van 1997, later gepreciseerd tot januari /februari 1997, vrijwel elke nacht bij haar slaapt, dat hij een sleutel heeft van haar woning en vrij gebruik kan maken van de hele woning. [partner] heeft op dit punt verklaard dat hij sedert juni 1997 iedere nacht doorbrengt in het huis van appellante.
De Raad merkt in dit verband op dat de ter zitting van de Raad door de zoon van appellante afgelegde verklaring welke erop neerkomt dat hij [partner] bij de bezoeken die hij een ŗ tweemaal per maand aan zijn moeder bracht slechts af en toe in haar woning heeft aangetroffen niet uitsluit dat [partner] zijn hoofdverblijf bij appellante had.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.

Op grond van de verklaringen van appellante en [partner] is ook voor de Raad voldoende komen vast te staan dat ten tijde in geding sprake was van wederzijdse zorg. Uit deze verklaringen komt onder meer naar voren dat appellante en [partner] samen de maaltijden bereidden en gebruikten, dat appellante voor [partner] de bonte was deed en streek, dat zij gezamenlijk sociale contacten onderhielden en op vakantie gingen, dat appellante de gezamenlijke boodschappen deed en betaalde, dat [partner] de kosten van zijn auto betaalde terwijl ook appellante daarin regelmatig meereed. De omstandigheid dat appellante en [partner] daarnaast ook eigen activiteiten en contacten hadden, ieder aparte bankrekeningen en verzekeringen hadden en hun financiŽle administratie en eigendommen gescheiden hielden, doet hieraan geen afbreuk.
Dat appellante en [partner] de situatie waarin zij verkeerden niet als samenwoning beschouwden leidt niet tot een andere conclusie, aangezien voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding doorslaggevend is of is voldaan aan de in artikel 3 van de Anw vermelde voorwaarden en niet hoe de betrokkenen zelf hun woon- en leefsituatie waarderen.

Met betrekking tot de grief van appellante dat zij en [partner] bij het afleggen van hun verklaring onder ontoelaatbare druk zijn gezet en zijn gemanipuleerd en dat deze verklaringen bij de besluitvorming door de Svb buiten beschouwing moeten blijven overweegt de Raad het volgende.
Naar vaste rechtspraak mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en - na voorlezing - ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De Raad heeft hiervoor in dit geval geen toereikende aanknopingspunten gevonden. De Raad wijst op de uitvoerige en gedetailleerde verklaringen die appellante en [partner] in eerste instantie hebben afgelegd en ziet in hetgeen later ter ontkrachting van die verklaringen naar voren is gebracht onvoldoende grond om aan de juistheid van de eerdere verklaringen te twijfelen. De stelling dat appellante en [partner] bij de Svb protest hebben aangetekend tegen de wijze waarop zij zijn verhoord is niet ondersteund met stukken. Een schriftelijke klacht is niet ingediend. In het voorgaande ligt besloten dat de grief van appellante dat de in het proces-verbaal opgenomen verklaring geen juiste weergave vormt van het door haar verklaarde geen doel treft.

Met betrekking tot het betoog van appellante dat het feit dat appellante is vrijgesproken door het gerechtshof te ís-Hertogenbosch volstaat de Raad met een verwijzing naar de overwegingen op dit punt van de rechtbank, welke hij onderschrijft.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat appellante en [partner] ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante de Svb niet van deze gezamenlijke huishouding op de hoogte heeft gesteld. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 35 van de Anw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, hetgeen ertoe heeft geleid dat haar met ingang van 1 juli 1997 ten onrechte een nabestaandenuitkering is toegekend. De Svb was dan ook gehouden de nabestaandenuitkering van appellante met toepassing van artikel 34, eerste lid, van de Anw met ingang van 1 juli 1997 in te trekken. Van dringende redenen om hiervan af te zien is de Raad niet gebleken.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Pijper.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x