Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
AZ9207
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering nabestaandenuitkering omdat betrokkenes echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet (vrijwillig) verzekerd was krachtens de Anw.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/1006 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2006, 04/4692 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de Svb).

Datum uitspraak: 23 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007. Appellante is, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.




II. OVERWEGINGEN


Appellante woont in Marokko en is gehuwd geweest met de [betrokkene]. Haar echtgenoot heeft tot 1 juli 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen en heeft vanaf die datum een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangen. De echtgenoot van appellante is op 15 augustus 2002 in Marokko overleden. Vervolgens heeft appellante aan de Svb verzocht een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) aan haar toe te kennen.

Bij beslissing op bezwaar van 6 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 28 mei 2004 gehandhaafd, waarbij is geweigerd een nabestaanuitkering aan appellante toe te kennen, omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de Anw. Daarbij heeft de Svb erop gewezen dat met ingang van 1 januari 2000 artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 746 (hierna: KB 746) is vervallen en dat de echtgenoot van appellante zich vanaf die datum niet heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering krachtens, onder meer, de Anw. Voorts is overwogen dat ook op grond van artikel 22 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (hierna: het Verdrag) geen recht bestaat op een Nederlandse nabestaandenuitkering, nu niet is gebleken dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden verzekerd was krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat haar echtgenoot werknemer is geweest en recht had op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW. Voorts heeft appellante gewezen op haar slechte financiële situatie.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden op 15 augustus 2002 niet verzekerd was krachtens de Anw. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 13 van de Anw is verzekerd krachtens die wet degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Nu de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden in Marokko woonde en niet meer werkzaam was in Nederland, was hij toen op grond van deze bepaling niet verzekerd.

Voorts was op grond van artikel 26 van KB 746, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2000, kort samengevat, ook verzekerd krachtens de volksverzekeringen degene die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van vertrek een bepaalde Nederlandse uitkering, zoals bijvoorbeeld een WAO-uitkering of een ouderdomspensioen krachtens de AOW, ontving ter hoogte van ten minste een nader omschreven bedrag per maand. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2000 vervallen. Personen, zoals de echtgenoot van appellante, die tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd waren krachtens de volksverzekeringen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich vanaf 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren krachtens onder meer de Anw. Niet is gebleken dat de echtgenoot van appellante van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Dit betekent dat de echtgenoot van appellante op 15 augustus 2002 niet meer verzekerd was krachtens de Anw, zodat geen aanspraak kan bestaan op een nabestaandenuitkering krachtens die wet.

Tot slot stelt de Raad vast dat door appellante niet is betwist dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de Marokkaanse wetgeving, zodat ook op grond van artikel 22 van het Verdrag geen aanspraak op een Nederlandse nabestaandenuitkering kan bestaan.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2007.

(get.) H.J. Simon.

(get.) A. Kovács.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.




III. DÉCISION


La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale);

statue:

confirme la décision attaquée.

Par conséquent, décidée par M. le maître H.J. Simon en présence de le maître A. Kovács en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 23 fevrier 2007.




Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas: Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x