Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
BA0277
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de Anw-uitkering wegens inkomsten uit arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1549 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 28 januari 2005, 04/3368 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 9 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante ontvangt een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Sinds 1 januari 1998 is daarop een korting toegepast in verband met inkomsten uit arbeid.

Bij besluit van 9 mei 2001 heeft de Svb de korting over oktober 1999 tot en met april 2001 naar aanleiding van door appellante verstrekte inkomensgegevens herberekend en een bedrag van f 2.064,88 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 10 april 2002 heeft de Svb de aan appellante van januari 2001 tot en met maart 2002 toekomende uitkering herberekend en vastgesteld. Bij brief van dezelfde datum heeft de Svb aangekondigd een bedrag van 700,80 van appellante te zullen terugvorderen.

Op 16 mei 2002 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de herziening van haar uitkering en de terugvordering.

Op 24 mei 2002 heeft de Svb terzake van de terugvordering een besluit afgegeven.

Bij het bestreden besluit van 28 juni 2004 heeft de Svb appellantes bezwaar geacht mede gericht te zijn tegen het terugvorderingsbesluit van 24 mei 2002. Zowel het kortingsbesluit van 10 april 2002 als het terugvorderingsbesluit van 24 mei 2002 is door de Svb gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De Raad overweegt het volgende.

De Svb heeft zich in hoger beroep nader op het standpunt gesteld dat hij appellantes bezwaar tegen de brief van 10 april 2002 ten onrechte heeft geacht mede te zijn gericht tegen het terugvorderingsbesluit van 24 mei 2002. De Raad kan de Svb hierin volgen. Volgens vaste jurisprudentie - de Raad wijst bijvoorbeeld op zijn uitspraak van 16 april 2004, LJN AO8070 - kan een brief die slechts een aankondiging van een terugvordering bevat, niet aangemerkt worden als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat een dergelijke brief niet is gericht op enig rechtsgevolg en derhalve geen rechtshandeling bevat. Evenmin kan appellantes bezwaarschrift tegen de brief van 10 april 2002 op grond van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt als een prematuur bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2002, nu appellante op grond van de tekst van die brief redelijkerwijs niet kon menen dat reeds een besluit over de terugvordering tot stand was gekomen.

De rechtbank heeft het bestreden besluit derhalve ten onrechte in stand gelaten voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. De Raad zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen, te weten het bestreden besluit vernietigen voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering en appellantes bezwaar tegen de brief van 10 april 2002 niet-ontvankelijk verklaren.

Met betrekking tot de herziening van appellantes nabestaandenuitkering is slechts in geschil of de Svb appellantes uitkering kon en mocht herzien over de periode van januari tot en met april 2001, over welke periode de uitkering al eerder was herzien. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij voorafgaand aan het besluit van 9 mei 2001 alle benodigde gegevens had verstrekt en erop mocht vertrouwen dat de uitkering juist was vastgesteld.

De Raad kan appellante hierin niet volgen. Blijkens de salarisstrook van appellante over de maand juni 2001 heeft in die maand een nabetaling van salaris plaatsgevonden. Desgevraagd heeft appellantes werkgever tegenover de Svb verklaard dat dit bedrag betrekking had op de maanden januari tot juni 2001. De Raad stelt vast dat het vermelde bedrag ook exact overeenkomt met vijf maal het verschil tussen het salaris in de maanden januari tot en met mei 2001 en dat in de maand juni 2001. Ook hieruit kan worden afgeleid dat sprake is van een salarisverhoging per 1 januari 2001 die tot een nabetaling heeft geleid.

De Raad is dan ook van oordeel dat het hier nadere inkomsten betreft, waarvan het appellante duidelijk kon zijn dat deze niet in aanmerking waren genomen bij het besluit van 9 mei 2001 en waarvan het haar tevens duidelijk kon zijn dat deze van invloed waren op de hoogte van haar uitkering. In zoverre kan het hoger beroep derhalve niet slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van voor ambtshalve vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op de terugvordering;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voorzover dit betrekking heeft op het besluit van 24 mei 2002;
Verklaart appellantes bezwaar tegen de brief van 10 april 2002 niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x