Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
BA6360
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-05-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht van (slechts) één jaar. Er is geen sprake van een bijzonder geval voor toekenning van een langere terugwerkende kracht.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/16 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Aruba) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2005, 04/1533 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 16 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, werkzaam als advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Appellant is met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.




II. OVERWEGINGEN


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en de Svb als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Op 2 december 2002 heeft verweerder een aanvraag van eiser ontvangen voor een uitkering ingevolge de Algemene Nabestaandenwet (Anw), in verband met het overlijden van zijn echtgenote op 6 maart 2000.

Bij het primaire besluit van 16 oktober 2003 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hem met ingang van 1 december 2001 een Anw-uitkering wordt toegekend, derhalve met een terugwerkende kracht van één jaar.

Eiser heeft tegen dit besluit op 10 november 2003 bezwaar gemaakt en gesteld dat hij als gevolg van de beperking van de terugwerkende kracht tot één jaar voor de aanvraag financiële schade heeft geleden. Hij heeft daarbij aangevoerd dat het jaar na het overlijden van zijn echtgenote in het teken stond van rouwverwerking en depressie. Omdat verweerder weduwnaren niet op eigen initiatief informeert over hun aanspraken ingevolge de Anw, heeft eiser zich niet bijtijds gerealiseerd dat voor hem recht op een Anw-uitkering bestond.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het recht op uitkering niet wordt vastgesteld over perioden gelegen voor 1 jaar voorafgaand aan de dag waarop de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een aanvraag om uitkering heeft ontvangen. In bijzondere gevallen is de SVB bevoegd een uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Volgens het beleid van de SVB is sprake van een bijzonder geval indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet is staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen, dan wel indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen, uitkering of kinderbijslag én deze onbekendheid verschoonbaar was. De enkele onbekendheid met wettelijke bepalingen en/of onvoldoende activiteit of oplettendheid van de belanghebbende kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een bijzonder geval. Dit beleid is in de jurisprudentie aanvaard, aldus verweerder. De feiten en omstandigheden welke eiser heeft aangevoerd kunnen volgens verweerder niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een dergelijk bijzonder geval.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij gezien zijn medische situatie niet eerder een aanvraag om een Anw-uitkering heeft kunnen indienen. Gelet op deze situatie is sprake van een bijzonder geval. Eiser verzoekt de gronden welke in bezwaar zijn aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. Verweerder heeft in het bestreden besluit tenslotte onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van een bijzonder geval, hetgeen strijdig is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

In het verweerschrift heeft verweerder het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd en hieraan toegevoegd dat hetgeen door eiser is aangevoerd niet tot de conclusie leidt dat eiser niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen. Verweerder heeft begrip voor de moeilijke omstandigheden waarin eiser verkeerde na het overlijden van zijn echtgenote. Niet is echter gebleken dat eiser in de onmogelijkheid verkeerde zelf een aanvraag in te dienen of zijn belangen te laten behartigen door een ander. Eiser werd in de periode na het overlijden van zijn echtgenote gesteund door zijn familie en zijn administratie werd verricht door een administratiekantoor. De SVB heeft alle relevante belangen in zijn afweging betrokken. Dat eiser het niet eens is met de getrokken conclusie maakt het besluit tenslotte niet strijdig met het motiverings- dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel."

Vervolgens heeft de rechtbank overwogen:

"Tussen partijen is in geschil of in het geval van eiser sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan verweerder bevoegd was de uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen.

In artikel 33, eerste lid, van de Anw is bepaald dat het recht op een nabestaandenuitkering op aanvraag wordt vastgesteld.
Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt - in afwijking van het bepaalde in het eerste lid - het recht op uitkering niet vastgesteld over perioden gelegen voor een jaar voorafgaand aan de dag waarop verweerder de aanvraag heeft ontvangen. De SVB is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van het bepaalde in de vorige volzin.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de late aanvraag van eiser grond in de onbekendheid van eiser met zijn rechten op grond van de Anw. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat aan de van de kant van eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende gewicht toekomen om aan te nemen dat die onbekendheid met de wettelijke bepalingen verschoonbaar was.

Uit de door eiser gestelde medische omstandigheden kan immers niet worden afgeleid dat eiser in het geheel niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, mede in aanmerking genomen de ondersteuning door zijn familieleden en van het administratiekantoor. Ook kan de enkele onbekendheid met de wet niet leiden tot het aannemen van een bijzonder geval. Ook zonder dat eiser hiertoe door de SVB was geïnformeerd - waartoe voor de SVB ook geen verplichting bestaat - kon en behoorde eiser redelijkerwijs op de hoogte te zijn van de voor hem bestaande mogelijkheid een nabestaandenuitkering krachtens de Anw aan te vragen.

Nu ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 33, vierde lid, van de Anw, kwam verweerder derhalve niet de bevoegdheid toe aan de toekenning van de uitkering verdere terugwerkende kracht dan één jaar te geven.

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit, hoewel summier, voldoende draagkrachtig en deugdelijk is en dat het bestreden besluit derhalve de toets in rechte kan doorstaan."

Het beroep is ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van het geding naar voren gebrachte bezwaren tegen het bestreden besluit in essentie herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de Svb met recht aan de toekenning aan appellant van een Anw-uitkering een terugwerkende kracht van (slechts) één jaar heeft verbonden.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellants stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.

(get.) H.J. Simon.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x