Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
BA6516
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene heeft ruimschoots na zes maanden na het afgeven van het besluit tot intrekking van de Anw-uitkering een hernieuwde aanvraag gedaan, zodat het voor de SVB op dat moment niet meer mogelijk was vast te stellen of de gezamenlijke huishouding tijdig was beŽindigd.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/497 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 december 2004, 04/861 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 31 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de Raad heeft plaatsgevonden op 10 mei 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.




II. OVERWEGINGEN


Appellante ontving, na het overlijden van haar echtgenoot [in] 1995, een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen per 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Bij besluit van 14 december 2000 heeft de Svb appellante medegedeeld dat het recht op Anw-uitkering eindigde op 31 augustus 1999 omdat gebleken was dat zij ingaande september 1999 samenwonend was. De daaropvolgende procedure heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 20 mei 2003, 02/4323 ANW, waarin de Raad heeft geoordeeld dat appellante op en na 31 augustus 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met J.J.E. [J.] (hierna: [J.]).

Op 18 juni 2003 heeft appellante een aanvraag gedaan voor een Anw-uitkering.
Zij verzoekt daarin primair om herziening van haar Anw-uitkering vanaf 2000 en subsidiair vanaf de datum van de aanvraag. De Svb heeft deze aanvraag bij besluit van 1 juli 2003 afgewezen.

In bezwaar stelt appellante zich primair op het standpunt dat zij nooit heeft samengewoond met [J.]. Subsidiair is appellante van mening dat zij alsnog recht heeft op een Anw-uitkering ingevolge artikel 16, derde lid, van de Anw, omdat de samenwoning binnen zes maanden na het eindigen van de Anw-uitkering is geŽindigd.

Bij beslissing op bezwaar van 3 mei 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Svb onder meer overwogen dat appellante ruimschoots na zes maanden na het afgeven van het besluit tot beŽindiging van de Anw-uitkering een hernieuwde aanvraag heeft gedaan, zodat het voor de Svb op dat moment niet meer mogelijk was vast te stellen of de gezamenlijke huishouding tijdig was beŽindigd.

In beroep voert appellante aan dat medio 2001 elke band met betrekking tot de vermeende samenleving met [J.] werd verbroken. [J.] zou bovendien al geruime tijd met een andere vrouw samenwonen, wat eenvoudig zou zijn vast te stellen door middel van observatie. Appellante verklaart bovendien dat zij pas op 24 juni 2003 een verzoek heeft gedaan om voor een Anw-uitkering in aanmerking te komen omdat toen het, naar haar mening onjuiste, standpunt dat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren, bevestigd was. Verder verwijst appellante naar de al eerder in de procedure ingenomen standpunten.

De rechtbank verklaart het ingestelde beroep ongegrond. Zij overweegt daarbij dat de opmerkingen die zijn gemaakt met betrekking tot de beŽindiging van de Anw-uitkering, waarover door de Raad in de reeds aangehaalde uitspraak al onherroepelijk is beslist, niet meer aan de orde kunnen komen. De rechtbank is verder van oordeel dat door de late aanvraag van appellante de bewijslast van de leefsituatie per medio 2001 bij appellante berust, omdat deze situatie niet meer valt te verifiŽren door de Svb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet kunnen aantonen dat er geen sprake meer was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank acht tot slot geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 16, vierde lid, van de Anw aanwezig, daarbij verwijzend naar een uitspraak van de Raad van 10 oktober 2003 (LJN AN8563).

In hoger beroep worden de al eerder verwoorde standpunten herhaald.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kan zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat, nu appellante geruime tijd na het verstrijken van de zes maanden termijn zoals genoemd in artikel 16, derde lid, van de Anw, opnieuw een aanvraag heeft ingediend, het op haar weg ligt objectieve gegevens aan te dragen waaruit blijkt dat het voeren van een gezamenlijke huishouding met [J.] medio 2001 was beŽindigd. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. De vraag of appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [J.] is als zodanig geen onderwerp meer van dit geding, nu de Raad hierover reeds een onherroepelijk geworden oordeel heeft gegeven in eerder genoemde uitspraak.

Ter zitting van de Raad heeft appellante nog gesteld dat zij de verbreking van de samenwoning heeft gemeld tijdens een hoorzitting op 30 maart 2001. Uit het ter zitting door de gemachtigde van de Svb, met toestemming van appellante, overgelegde verslag van deze hoorzitting kan de Raad echter zeker niet concluderen dat toen reeds geen sprake meer was van een gezamenlijke huishouding. Van andere objectieve gegevens waaruit wel deze conclusie getrokken zou kunnen worden voor zover betrekking hebbend op de periode voorafgaand aan medio 2001, is de Raad niet gebleken.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x