Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Anw
x
LJN:
x
BA7635
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-05-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van het verzoek om herziening van de hoogte van de nabestaandenuitkering, i.c. 30% van het brutominimumloon. Nu vaststaat dat betrokkene en haar partner na de datum in geding nog meerdere jaren een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, kan betrokkene geen aanspraak maken op een verhoging van haar Anw-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/5354 ANW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 augustus 2006, 06/3200 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 29 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007. Voor appellante is verschenen mr. Klaas. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Boot, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellante is met ingang van 1 november 1991 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) toegekend. Dit pensioen is met ingang van 1 juli 1996 omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Omdat zij zowel op 1 juli 1996 als op 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 van de Anw voerde met [partner] (hierna: [partner]), is de nabestaandenuitkering van appellante bij besluit van 1 december 1997 met toepassing van artikel 67, derde lid, van de Anw met ingang van 1 januari 1998 verminderd tot 30% van het brutominimumloon.

Appellante heeft op 2 juni 2004 een aanvraag om een nabestaandenuitkering ingediend in verband met het overlijden op 28 maart 2004 van [partner]. Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft de Svb de aanvraag van 2 juni 2004 afgewezen op de grond - voor zover in dit geding van belang - dat appellante niet kan worden beschouwd als nabestaande van [partner] omdat zij met hem ten tijde van diens overlijden geen gezamenlijke huishouding voerde. Tevens is bij dat besluit meegedeeld - voor zover in dit geding van belang - dat het besluit van 1 december 1997 van kracht blijft. Bij besluit van 15 juni 2005 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 februari 2006 is het beroep tegen het besluit van 15 juni 2005 ongegrond verklaard. De Raad heeft die uitspraak bij uitspraak van heden, nummer 06/1500 Anw, bevestigd.

Bij besluit van 10 mei 2004 heeft de Svb het AOW-pensioen van [partner] per januari 2003 in verband met de beŽindiging van de gezamenlijke huishouding met appellante herzien naar de norm voor een ongehuwde. Onder verwijzing daarnaar en onder verwijzing naar het hiervoor genoemde besluit van 15 juni 2005, heeft appellante op 13 juli 2005 een herzieningsverzoek ingediend, waarmee - zo begrijpt de Raad - appellante beoogt te bewerkstelligen dat de haar bij besluit van 1 december 1997 toegekende 30%-uitkering per januari 2003 wordt verhoogd naar een ongekorte nabestaandenuitkering ingevolge de Anw.
Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft de Svb dat verzoek afgewezen.

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 maart 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Degene die een pensioen ingevolge de AWW ontving en in aansluiting daarop vanaf 1 juli 1996 in aanmerking is gebracht voor een Anw-uitkering, en die na voormeld tijdstip een huwelijk is aangegaan dan wel een gezamenlijke huishouding is gaan voeren in de zin van artikel 3 van de Anw, kon - behoudens indien sprake was van een nieuw recht op een nabestaandenuitkering - in het geheel geen rechten meer doen gelden op een nabestaandenuitkering. Dit was alleen anders indien de betrokkene op 1 juli 1996 en ook nog op 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voerde. Voor die situatie is in artikel 67, derde lid, van de Anw bepaald dat de betrokkene tot 1 januari 1998 aanspraak heeft op een volledige Anw-uitkering en dat met ingang van die datum de uitkering wordt verminderd tot 30% van het brutominimumloon. Zoals uit de beschrijving van de feiten blijkt, is hiervan in het geval van appellante sprake.

In artikel 67, derde lid, van de Anw is voorts neergelegd dat, indien de gezamenlijke huishouding van de betrokkene binnen een termijn van zes maanden na 1 januari 1998, dat wil zeggen vůůr 1 juli 1998, wordt beŽindigd, diens nabestaandenuitkering weer wordt verhoogd naar 70% van het nettominimumloon.

Het vorenstaande betekent dat in het geval de gezamenlijke huishouding (ook) na 1 juli 1998 nog voortduurde alleen nog aanspraak bleef bestaan op een Anw-uitkering die gelijk is aan 30 % van het brutominimumloon. Voor een aanpassing/verhoging van de
Anw-uitkering nadien biedt de Anw geen mogelijkheden meer.

Nu vaststaat dat appellante en [partner] na 1 januari 1998 nog meerdere jaren een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, kan appellante geen aanspraak maken op een verhoging van haar Anw-uitkering.

Op grond van artikel 67, derde lid, van de Anw kan de Svb de termijn van zes maanden (gedoeld wordt op de termijn van 1 januari 1998 tot 1 juli 1998) verlengen in het geval hantering van die termijn leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat van een dergelijke onbillijkheid niet is gebleken. Het feit dat appellante niet in aanmerking komt voor een nabestaandenuitkering uit hoofde van het overlijden van [partner], kan in ieder geval niet als een onbillijkheid in voormelde zin worden aangemerkt, nu dat feit niet in verband staat met (de ratio van) het hiervoor beschreven overgangsrecht.

De Raad komt tot de conclusie dat de Svb het verzoek van appellante om verhoging van haar Anw-uitkering terecht heeft afgewezen, zodat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x