Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWW / Anw
x
LJN:
x
ZB8226
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-03-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning Anw-uitkering met een terugwerkende kracht van (slechts) één jaar, omdat naar het oordeel van de SVB handhaving van de termijn van één jaar overeenkomstig artikel 25, derde lid, van de AWW geen hardheid in financiële zin jegens betrokkene met zich brengt. Er is geen sprake van een bijzonder geval.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/11855 AWW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 4 oktober 1996, het thans bestreden
besluit, heeft gedaagde zijn eerdere besluit van 4 januari
1996, waarbij aan appellant met ingang van 1 september 1994
een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW)
is toegekend, gehandhaafd.

De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van
19 november 1997 het tegen dit besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, op
bij aanvullend beroepschrift - met bijlagen - aangegeven gronden
in hoger beroep gekomen van die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift - met bijlagen - ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op
10 februari 1999, waar appellant in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. Koningsveld, voornoemd, en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Roose, werkzaam
bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Met ingang van 1 juli 1996 is in werking getreden de Algemene
Nabestaandenwet (Anw), welke wet in de plaats is getreden van
de Algemene Weduwen en Wezenwet. Ingevolge artikel 105, tweede
lid van de Anw blijven de AWW en de daarop rustende bepalingen
van toepassing op de rechten, verplichtingen en bevoegdheden
over de tijdvakken gelegen voor 1 juli 1996.

Appellant heeft op 20 september 1995 een aanvraag om
AWW-pensioen ingediend in verband met het overlijden op
11 juli 1991 van C, met wie hij van 25 mei 1967 tot 6 mei 1991
gehuwd is geweest. In verband met die aanvraag heeft appellant
in november 1995 verklaard dat hij niet op de hoogte was van
zijn mogelijke aanspraak op AWW-pensioen terzake van dit
overlijden en dat hij eerst drie maanden tevoren door een
kennis daarop werd geattendeerd.

Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van 4 januari 1996,
waarbij aan appellant met ingang van 1 september 1994 een
pensioen ingevolge de AWW is toegekend. Gedaagde heeft ten
aanzien van appellant een bijzonder geval als bedoeld in
artikel 25, vijfde lid, van de AWW aanwezig geacht, op grond
waarvan hij bevoegd is het pensioen met ingang van een eerder
tijdstip te doen ingaan dan één jaar voor de datum van
aanvraag, maar heeft van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt
omdat naar zijn oordeel handhaving van de termijn van één jaar
overeenkomstig artikel 25, derde lid, van de AWW geen hardheid
in financiële zin jegens appellant met zich brengt.

De Raad dient in dit geding te beoordelen of gedaagde in
redelijkheid heeft kunnen beslissen geen gebruik te maken van
zijn bevoegdheid ingevolge artikel 25, vijfde lid, van de AWW.

Evenals de rechtbank komt de Raad tot een bevestigende
beantwoording van deze vraag.

Appellant heeft doen aanvoeren dat hij, in verband met het
overlijden van zijn voormalige echtgenote, zich in september
1991 tot de Sociale Verzekeringsbank heeft gewend om
kinderbijslag aan te vragen. Hoewel appellant bij die
gelegenheid medewerkers van de Sociale Verzekeringsbank in
kennis heeft gesteld van het overlijden van zijn gewezen
echtgenote, hebben zij hem niet geattendeerd op zijn aanspraak
op AWW-pensioen. Appellant is van mening dat gedaagde tekort
is geschoten in zijn voorlichtingstaak, hetgeen zijns inziens
reden is om hem vanaf juli 1991 AWW-pensioen toe te kennen.
Voorts is namens appellant aangevoerd dat sprake is van
financiële hardheid omdat appellant na het overlijden van zijn
voormalige echtgenote in meerdere mate heeft moeten bijdragen
in de kosten van levensonderhoud van zijn beide kinderen en
dat hij mede om die reden eind 1993 een lening van
$ 31.000,- heeft gesloten.

De gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting van de Raad
verklaard dat bij onderzoek uitsluitend is gebleken dat
appellant op het aanvraagformulier voor kinderbijslag
heeft vermeld dat hij de kinderbijslag over het vierde
kwartaal van 1991 aanvroeg omdat zijn voormalige echtgenote
was overleden.

De Raad stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat appellant
van de zijde van gedaagde onjuist is voorgelicht en om die
reden niet eerder dan in september 1995 het AWW-pensioen heeft
aangevraagd.
Voorts is de Raad van oordeel dat op gedaagde niet de
verplichting rust om uit eigen beweging informatie te
verstrekken over mogelijke aanspraken op uitkering of
pensioen. De omstandigheid dat medewerkers van gedaagde in het
kader van de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet
kennis hebben genomen van het overlijden van de voormalige
echtgenote van appellant betekent niet dat een rechtsplicht
bestond om appellant te informeren over zijn aanspraken
ingevolge de AWW. Bovendien was niet uit te sluiten dat
appellant op andere wijze was geïnformeerd en inmiddels een
aanvraag om AWW-pensioen had ingediend. Het gebrek aan
voorlichting is derhalve geen grond voor toekenning van het
pensioen op een vroeger tijdstip dan één jaar voor de datum
van de aanvraag.

Zoals de Raad in zijn uitspraken van 29 april 1993,
RSV 1994/11 en 26 mei 1994, RSV 1995/88 heeft overwogen, is de
Raad van oordeel dat -in aanmerking genomen de beperkte
toetsing die de Raad in gevallen als het onderhavige
toekomt- de wijze waarop gedaagde in het algemeen en in het
geval van appellant van de hem ingevolge artikel 25, vijfde
lid, van de AWW toekomende bevoegdheid gebruik heeft gemaakt
de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
De Raad heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het
oordeel dat het beleid van gedaagde in het onderhavige geval
geen toepassing zou moeten vinden of niet juist zou zijn
toegepast. Daargelaten of het inkomen van appellant in de
periode 11 juli 1991 tot 1 september 1994 beneden het voor hem
geldende AWW-pensioenbedrag is gedaald, heeft appellant niet
aannemelijk gemaakt dat een causaal verband bestaat tussen de
gemaakte kosten voor het levensonderhoud van zijn kinderen, en
in het bijzonder de eind 1993 gesloten lening van $ 31.000,-,
en het overlijden van zijn gewezen echtgenote.

Nu de Raad voorts niet van een eerdere aanvraag dan
21 september 1995 is gebleken, heeft gedaagde terecht de
ingangsdatum van het AWW-pensioen op 1 september 1994 gesteld.

Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en
mr. F.P. Zwart en mr. T.L. de Vries als leden, in
tegenwoordigheid van mr. S. Breuls als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 24 maart 1999.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) S. Breuls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x