Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWW / Anw
x
LJN:
x
ZB8930
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-08-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De verjaringstermijn van artikel 25 van de AWW dient buiten toepassing te worden gelaten in geval van vermoedelijk overlijden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 98/7492 AWW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij beslissing op bezwaar van 14 maart 1997 heeft gedaagde aan
appellant medegedeeld het besluit van 2 september 1996 te
handhaven waarbij aan appellant met ingang van 1 januari 1994 een
pensioen krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) is
toegekend.

De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 2
september 1998 het tegen het bestreden besluit van
14 maart 1997 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit in stand blijven alsmede gedaagde veroordeeld in de
kosten van de procedure, aan de zijde van appellant begroot op
f 1.420,- en tevens bepaald dat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (lees: de Sociale Verzekeringsbank) aan appellant
het griffierecht vergoedt ad f 55,-.

Namens appellant is mr. J.C. de Dood, advocaat te Zaandam, op de
in een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 april 2000 heeft 's Raads fungerend voorzitter,
met verwijzing naar een brief van de Sociale Verzekeringsbank,
District Eindhoven, van 8 november 1996, gedaagde de vraag
voorgelegd waarom aan appellant het AWW-pensioen niet met
volledige terugwerkende kracht is verleend. In reactie daarop
heeft gedaagde de Raad bij brief van 10 mei 2000 bericht dat in
het geval van appellant de verjaringsbepaling buiten toepassing
dient te blijven nu sprake is van vermoedelijk overlijden. Tevens
heeft gedaagde de Raad - mede om proceseconomische
redenen - verzocht om zelf in de zaak te voorzien.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege blijven
van een zitting.




II. MOTIVERING


Met ingang van 1 juli 1996 is in werking getreden de Algemene
nabestaandenwet (Anw), welke wet in de plaats is getreden van de
AWW. Ingevolge artikel 105, tweede lid, van de Anw blijven de AWW
en de daarop rustende bepalingen van toepassing op rechten,
verplichtingen en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor 1
juli 1996.

Aan rubriek 2 van de aangevallen uitspraak, waarin
appellant is aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder,
ontleent de Raad de navolgende feiten en omstandigheden:"In 1990
is de echtgenote van eiser, C, verdwenen en nadien heeft niemand
meer iets van haar vernomen. Eiser heeft op 6 mei 1990 aangifte
gedaan van haar vermissing. Op 13 januari 1995 heeft eiser
verweerder verzocht om een weduwnaarspensioen krachtens de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW).
Verweerder heeft eiser hierop bij brief van 9 maart 1995 bericht
dat zijn aanvraag in behandeling zal worden genomen wanneer de
akte van overlijden van zijn echtgenote zou worden ontvangen. Op
26 maart 1996 heeft eiser de beschikking van de rechtbank van
27 februari 1996 waarbij is uitgesproken dat sinds 5 mei 1990 het
rechtsvermoeden van overlijden van C, geboren in 1948 te D,
bestaat, aan verweerder overgelegd. Uit de "Akte van inschrijving
van rechtelijke uitspraak" van 15 mei 1996 blijkt dat de
gemeentelijke basisadministratie als datum van overlijden van C,
... in 1990, heeft ingeschreven, de datum van haar vermissing."

Gedaagde heeft met toepassing van artikel 25, lid 3, van de AWW
aan appellant een pensioen ingevolge die wet toegekend met ingang
van 1 januari 1994, zijnde één jaar voor de aanvraagdatum. Een
bijzonder geval als bedoeld in artikel 25, lid 5, van de AWW, op
grond waarvan aan de toekenning van het pensioen een langere
terugwerkende kracht zou kunnen worden gegeven dan één jaar, is
door gedaagde niet aanwezig geacht.

Tussen partijen is uitsluitend in geding de ingangsdatum van het
AWW-pensioen van appellant. Appellant heeft gedaagde verzocht hem
het AWW-pensioen toe te kennen met terugwerkende kracht tot de
datum van het overlijden van zijn echtgenote.

Gelet op de hiervoor in rubriek I vermelde brief van 10 mei 2000
is gedaagde thans van mening dat de verjaringsbepaling buiten
toepassing dient te blijven. De Raad stelt vast dat gedaagde
inmiddels het standpunt inneemt dat reden bestaat om het pensioen
van appellant ingevolge artikel 25, lid 1, van de AWW in te laten
gaan op de eerste dag van de maand, waarin appellant aan de
voorwaarden voor het recht op pensioen voldoet, derhalve op 1 mei
1990. Mede gelet op het verzoek van gedaagde acht de Raad termen
aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door
te bepalen dat aan appellant het pensioen ingevolge de AWW wordt
toegekend met ingang van 1 mei 1990.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van
appellant in hoger beroep, begroot op f 710,- voor verleende
rechtsbijstand.

Tevens dient gedaagde aan appellant het griffierecht in hoger
beroep ad f 160,- te vergoeden.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald
dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven en bevestigt die uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat aan appellant het pensioen ingevolge de AWW wordt
toegekend met ingang van 1 mei 1990;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger
beroep tot een bedrag groot f 710,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht ad f
160,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp, in tegenwoordigheid van
J.J.B. van der Putten als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 9 augustus 2000.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Anw | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x