Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AA3954
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-03-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek van de CRvB aan het HvJEG om antwoord op de vraag: Moet onder "gezinslid" in de zin van artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko d.d. 27 april 1976 mede worden verstaan de alleenstaande moeder van een Marokkaanse werknemer die, nadat deze laatstgenoemde zich op volwassen leeftijd op het grondgebied van een lidstaat van de Gemeenschap heeft gevestigd, zich metterwoon bij hem heeft gevoegd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/1766 AOW




V E R Z O E K




aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 177 van het EG-verdrag in het geding tussen:

de Sociale Verzekeringsbank, appellant,

en

A, weduwe van C, wonende te B, gedaagde.




I. FEITEN EN PROCESVERLOOP


Gedaagde, verder te noemen: A, is een Marokkaanse vrouw, geboren in 1929. Overeenkomstig het vaste beleid van appellant (nader: de SVB), bevestigd in de jurisprudentie van deze Raad, wordt in het geval dat alleen het geboortejaar bekend is, voor de toepassing van onder meer de Algemene Ouderdomswet (AOW) de geboortedatum gesteld op 1 juli van dat jaar, zodat A voor het onderhavige geding geacht wordt geboren te zijn op 1 juli 1929. A heeft nooit inkomenvormende arbeid verricht. Zij is gehuwd geweest met een Marokkaanse man, die in 1957 is overleden. Uit het huwelijk is in 1944 een zoon geboren, D, die de Marokkaanse nationaliteit heeft en als werknemer in Nederland woont. Ingaande 26 oktober 1988 heeft A zich vanuit Marokko in Nederland bij deze zoon gevestigd. Op 22 november 1988 is haar door de Nederlandse autoriteiten een vergunning tot verblijf verleend.
Op 27 april 1994 heeft A bij de SVB een ouderdomspensioen ingevolge de AOW aangevraagd. Bij besluit van 15 juli 1994 is haar door de SVB met ingang van 1 juli 1994 een AOW-pensioen toegekend ten bedrage van 12% van het wettelijk pensioen voor een alleenstaande. Hierbij is overwogen dat A tot haar 65ste levensjaar niet ingevolge de AOW verzekerd is geweest van 1 januari 1957 tot 26 oktober 1988, alsmede dat zij niet voldoet aan de voorwaarden om de jaren, gelegen vanaf haar 15de levensjaar en vóór de inwerkingtreding van die wet op 1 januari 1957 (de zogenoemde overgangsvoordelen, zie artikel 55 AOW) mee te tellen voor de berekening van het pensioen.
Dit besluit is, na bezwaar van de kant van A, door de SVB gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit van 27 september 1994. In de overwegingen van dat besluit is met name ingegaan op de mogelijkheid om, mede op grond van communautair, c.q. internationaal recht, de Marokkaanse nationaliteit van A gelijk te stellen met de Nederlandse, zijnde dit één van de voorwaarden om de jaren vóór 1957 bij de pensioenberekening mee te tellen (zie artikel 56 AOW).

Namens A heeft de advocaat mr. A.E.L.T. Balkema te Utrecht tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Utrecht. Na de behandeling ter zitting van de rechtbank d.d. 3 juli 1995 is het onderzoek heropend voor een nader onderzoek naar de communautairrechtelijke, c.q. internationaalrechtelijke aspecten van de zaak. Bij brieven van 12, respectievelijk 19 januari 1996 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat zij de verdere behandeling van de zaak aanhoudt totdat het Hof van Justitie arrest heeft gewezen in de zaak C-126/95 (zie het arrest Hallouzi-Choho d.d. 3 oktober 1996, Jur. 1996, I-4821).
De SVB heeft na kennisneming van dit arrest aan de rechtbank meegedeeld dat hij daarin geen grond ziet tot wijziging van zijn standpunt, dat op dit punt inhoudt dat A terzake van de gelijkstelling van haar nationaliteit met de Nederlandse geen beroep toekomt op artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko van 27 april 1976 (zie Verordening nr. 221/78, Publikatieblad L 264 d.d. 27 september 1978).
Na hernieuwde behandeling ter zitting heeft de rechtbank uitspraak gedaan op 15 januari 1998. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat de SVB door op grond van de nationaliteit van A niet de jaren vóór 1957 bij de berekening van haar AOW-pensioen mee te tellen, heeft gehandeld in strijd met artikel 41, eerste lid, van voormelde Samenwerkingsovereenkomst. Op die grond heeft de rechtbank het besluit van de SVB vernietigd voorzover daarbij op het aan A ingaande 1 juli 1994 toegekende pensioen een korting van 88% is toegepast, en heeft zij de SVB opgedragen een nieuw besluit te nemen; voor de overwegingen van de rechtbank, alsmede een weergave van de standpunten van partijen, verwijst de Raad naar de aan dit verzoek gehechte uitspraak.

In hoger beroep heeft de SVB het standpunt gehandhaafd dat A geen gezinslid in de zin van artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst is en derhalve aan die bepaling geen aanspraak op gelijkstelling van haar nationaliteit kan ontlenen; verwezen wordt naar het bijgevoegde beroepschrift d.d. 7 april 1998. De advocaat van A heeft verklaard zich te kunnen verenigen met de uitspraak van de rechtbank. De Centrale Raad van Beroep heeft het geding behandeld ter zitting van 3 februari 1999, waarna het onderzoek is heropend teneinde de hierna te formuleren prejudiciële vraag tot het Hof van Justitie te richten.




II. OVERWEGINGEN


Preliminaire overwegingen bij het geschil

Bij de behandeling van het geding in hoger beroep is naar voren gekomen dat het bestreden besluit van de SVB d.d. 27 september 1994 op het punt van de weigering om jaren vóór 1957 bij de pensioenberekening mee te tellen weliswaar steunt op de overweging dat de nationaliteit van A niet kan worden gelijkgesteld met de Nederlandse, maar dat aan de bedoelde meetelling mede in de weg staat de wettelijke voorwaarde van artikel 55 van de AOW, inhoudende dat de betrokkene na zijn 59ste levensjaar gedurende zes jaren in Nederland (of de Nederlandse Antillen of Aruba) heeft gewoond. Dit was immers op de datum in geding, 1 juli 1994, ten aanzien van A nog niet het geval, doch eerst op 26 oktober van dat jaar. Zo gezien kan het bestreden besluit in stand blijven, ook al zou de Centrale Raad van Beroep tot het oordeel komen dat de nationaliteit van A gelijk dient te worden gesteld met de Nederlandse.

In overweging nemend - dat het geschil tussen partijen zich van meet af aan heeft toegespitst op het vraagpunt van de gelijkstelling van nationaliteit;
dat dit punt tevens de dragende grond vormt van het bestreden besluit van de SVB;
dat het onderhavige geding lopende is vanaf oktober 1994;
dat een uitspraak van deze Raad, inhoudende dat het AOW-pensioen van A ingaande 1 juli 1994 correct is vastgesteld, onvermijdelijk tot een nieuwe procedure betreffende haar aanspraken ingaande 26 oktober 1994 zal leiden, waarbij niet te verwachten valt dat ten aanzien van het onderhavige geschil nieuwe gezichtspunten naar voren zullen komen;
dat partijen ter zitting van de Raad eensgezind erop hebben aangedrongen, mocht de Raad overwegen een prejudiciële vraag te stellen, zulks in dit geding te doen; heeft de Raad, van oordeel dat voor de oplossing van het geschil betreffende de gelijkstelling van nationaliteit de toepassing van artikel 177 EG-verdrag noodzakelijk is, besloten aan dat laatstbedoelde verzoek gevolg te geven.



Overwegingen ten aanzien van het geschil

Het geding voor de Centrale Raad van Beroep betreft de vraag of de nationaliteit van A in de weg staat aan haar aanspraak op de overgangsvoordelen-AOW. Met betrekking tot de plaats van die overgangsvoordelen binnen het stelsel van de AOW heeft het Hof van Justitie in het reeds genoemde arrest Hallouzi-Choho overwogen:

"Met de Algemene Ouderdomswet (hierna: "AOW") is in Nederland een stelsel van ouderdomspensioenen in het leven geroepen waarbij een ieder is aangesloten die op het grondgebied van deze Lid-Staat woonachtig is, alsook degene die terzake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de Nederlandse loonbelasting onderworpen is. Voor de AOW-verzekering moet premie worden betaald. De hoogte van het ouderdomspensioen hangt af van het aantal tussen de 15de en 65ste verjaardag van de verzekerde vervulde verzekerde jaren. Het volledige pensioen komt derhalve overeen met een verzekeringstijdvak van 50 jaar. Wanneer het verzekeringstijdvak korter is dan 50 jaar, wordt voor ieder onverzekerd jaar een korting toegepast van 2%. Aangezien de AOW op 1 januari 1957 in werking is getreden, zou vóór het jaar 2007 niemand aanspraak kunnen maken op een volledig pensioen. Om deze situatie op te lossen is in de artikelen 55 en 56 AOW een overgangsregeling getroffen, volgens welke de jaren tussen de 15de verjaardag van de verzekerde en 1 januari 1957 met verzekerde jaren uit hoofde van de AOW worden gelijkgesteld mits de verzekerde tussen zijn 59ste en 65ste jaar in Nederland heeft gewoond, na zijn 65ste jaar in Nederland blijft wonen en Nederlander is. Het nationaliteitsvereiste geldt evenwel niet voor personen die binnen de werkingssfeer vallen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz 6; hierna: "verordening nr. 1408/71"), voor werknemers die onderdaan zijn van een Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte en voor onderdanen van een land waarmee het Koninkrijk der Nederlanden een bilaterale socialezekerheidsovereenkomst heeft gesloten waarin een gelijkstelling met Nederlanders is opgenomen. Voorts is het nationaliteitsvereiste afgezwakt bij Koninklijk besluit van 15 november 1985, zoals nadien gewijzigd, volgens hetwelk met Nederlanders worden gelijkgesteld, zolang zij in Nederland wonen, niet- Nederlanders die na het bereiken van de twintigjarige leeftijd gedurende ten minste vijftien jaar al dan niet onafgebroken in Nederland hebben gewoond, mits zij gedurende de vijf aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd onmiddellijk voorafgaande jaren onafgebroken in Nederland hebben gewoond."

Wat betreft het laatste in deze overwegingen vermelde punt merkt de Raad op dat A aan de daar genoemde voorwaarde voor gelijkstelling van nationaliteit pas in 2003 zou kunnen voldoen, maar dat blijkens mededelingen ter zitting op 3 februari 1999 haar inmiddels ingaande november 1998 overgangsvoordelen-AOW zijn toegekend, aangezien A thans de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.

Uit overweging 27 van het geciteerde arrest blijkt verder dat de overgangsvoordelen-AOW vallen "binnen de werkingssfeer van de EG-verordening nr 1408/71 en dus ook binnen die van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst" (lees: de reeds vermelde Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko). Gelet op dit arrest, gezien in verband met andere jurisprudentie van het Hof als de arresten Kziber (Jur. 1991, I-199), Yousfi (Jur. 1994, I-1353) en Krid (Jur. 1995, I-719), kan worden geconcludeerd dat de (Marokkaanse) nationaliteit van A voor het onderhavige geval communautairrechtelijk dient te worden gelijkgesteld met de Nederlandse indien zij als gezinslid van een werknemer, in de zin van artikel 41, eerste lid van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko, kan worden aangemerkt. Of een persoon als A als zodanig moet worden beschouwd, kan de Raad uit de genoemde (of andere) jurisprudentie van het Hof van Justitie niet rechtstreeks afleiden. Van belang lijkt te zijn het antwoord op de vraag of de betekenis en draagwijdte van dit begrip in de Overeenkomst van zelfstandige aard zijn en derhalve primair binnen de doelstellingen daarvan moeten worden uitgelegd, dan wel of voor de interpretatie (mede) aansluiting moet worden gezocht bij de gemeenschapsverordeningen nr. 1612/68 of nr. 1408/71, in welk laatste geval tevens betekenis lijkt toe te komen aan de nationale uitleg van dit begrip; met name de rechtbank en de SVB hebben aan deze vraag uitgebreid aandacht besteed, zodat de Raad verwijst naar de bijgevoegde, reeds genoemde stukken. De Raad merkt nog op dat, strikt nationaal gesproken, een persoon in de positie van A in het spraakgebruik niet als gezinslid wordt beschouwd, terwijl haar, voorzover de Raad kan zien, op sociaal verzekeringsrechtelijk gebied in die hoedanigheid evenmin rechten toekomen uit hoofde van de verzekeringspositie van haar zoon.
Ten slotte veroorlooft de Raad zich te verwijzen naar de bij het Hof van Justitie aanhangige zaak C-179/98 (België/Mesbah), welke mogelijkerwijs raakvlakken heeft met de onderhavige procedure.

Op grond van het vorenstaande beslist de Raad de navolgende vraagstelling aan het Hof van Justitie voor te leggen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 177 EG-verdrag antwoord te geven op de volgende vraag:

"Moet onder "gezinslid" in de zin van artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko d.d. 27 april 1976 mede worden verstaan de alleenstaande moeder van een Marokkaanse werknemer, die, nadat deze laatstgenoemde zich op volwassen leeftijd op het grondgebied van een lidstaat van de gemeenschap heeft gevestigd, zich metterwoon bij hem heeft gevoegd"?

- houdt in verband met de toepassing van artikel 177 EG-verdrag de verdere behandeling van het geding aan totdat het Hof van Justitie arrest zal hebben gewezen.

Aldus gegeven op 24 maart 1999 door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Breuls als griffier.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) S. Breuls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x