Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AB1659
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-02-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht op de toeslag op het AOW-pensioen in mindering gebracht f 306,76 aan inkomen in verband met arbeid van de echtgenote en vervolgens 10% van het resterende bedrag op grond van een niet-verzekerde periode van de echtgenote van vijf jaren?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/3130 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 27 augustus 1997 heeft gedaagde aan appellant, in verband met diens aanspraak met ingang van 1 oktober 1997 op een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), ingaande dezelfde datum een toeslag ingevolge de AOW toegekend ten bedrage van f 695,35 per maand.

Het bezwaar tegen dit besluit is bij het thans bestreden besluit van 24 december 1997 ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft het beroep tegen laatstgenoemd besluit bij uitspraak van 20 april 1999 ongegrond verklaard.

Appellant is van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen op de bij beroepschrift van 11 juni 1999 aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft verweer gevoerd bij memorie van 25 oktober 1999.

Bij brief van 30 maart 2000 heeft gedaagde een schriftelijke vraag van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 januari 2001. Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde is verschenen bij gemachtigden H. van de Most en J.A.J. Groenendaal, beiden werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Op de aan appellant ten behoeve van zijn echtgenote toegekende toeslag ingevolge de AOW heeft gedaagde, om tot het in rubriek I vermelde bedrag te komen, in mindering gebracht f 306,76 aan inkomen in verband met arbeid van de echtgenote, en vervolgens 10% van het resterende bedrag op grond van een niet-verzekerde periode van de echtgenote van (afgerond) 5 jaren (1 januari 1957 tot 1 september 1962).

Appellant bestrijdt de, wat hij noemt, dubbele korting op het wettelijke bedrag van de toeslag.

De Raad is met de rechtbank van oordeel, dat de vermindering van de toeslag met, achtereenvolgens, inkomen in de zin van de AOW van de huwelijkspartner en een percentage uit hoofde van niet-verzekerde jaren op zich genomen niet strijdig met enige rechtsregel kan worden geacht en sluit zich op dit punt aan bij de overwegingen van de aangevallen uitspraak.

Resteert de vraag, mede in verband met 's Raads uitspraak van 5 juli 2000 (USZ 2000, 221), of toereikende grondslag bestond om op de toeslag het hierboven genoemde bedrag aan inkomsten in verband met arbeid in mindering te brengen.

In genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat de in die casus aan de echtgenote van de AOW-gerechtigde toegekende "Altersrente für Frauen" ingevolge de Duitse wetgeving weliswaar als "inkomen in verband met arbeid" in de zin van de artikelen 8 en 10 van de AOW kon worden aangemerkt, maar dat het Inkomensbesluit AOW 1996 geen grondslag bood om dat inkomen daadwerkelijk op de toeslag in mindering te brengen.

Dit oordeel geldt ook voor deze zaak, waarin appellants echtgenote ten tijde van belang aanspraak heeft op een Belgisch rustpensioen, zijnde dat evenals de zojuist vermelde Altersrente aan te merken als een op een wettelijke verzekering berustend ouderdomspensioen en als zodanig niet "naar aard en strekking" overeenkomend met enige uitkering, genoemd in het eerste lid van artikel 7 van het Inkomensbesluit AOW 1996. De verwijzing zijdens gedaagde naar onderdeel c van dat artikellid ("een uitkering op grond van een pensioenregeling... ") kan naar het oordeel van de Raad geen doel treffen, omdat met die omschrijving blijkens de toelichting is bedoeld: "... een toezegging door de werkgever, een verplichtstelling, of een vrijwillige voorziening of een vrijwillige voortzetting. In dit besluit gaat het om aanvullend ouderdomspensioen... "
De Raad maakt hieruit op dat niet bedoeld is de uitkeringen op grond van wettelijke ouderdomspensioenen onder genoemd onderdeel c te begrijpen.

In verband met het door gedaagde in hoger beroep verdedigde standpunt merkt de Raad tenslotte op, dat hij in de omstandigheid dat het criterium "naar aard en strekking overeenkomend met een uitkering als bedoeld in dit lid" (artikel 7, eerste lid, onder j, van het Inkomensbesluit AOW 1996) niet voorkwam in de voorganger van dit Inkomensbesluit (zie artikel 6 onder d van de Beschikking van de Staatssecretaris van SZW d.d. 31 maart 1988, Stcrt. 1988, 64), steun vindt voor de opvatting dat met dat criterium bedoeld is een nadere omlijning van het inkomensbegrip te geven.

Nu appellant te kennen heeft gegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen de (enkele) korting op de toeslag wegens niet-verzekerde jaren van zijn echtgenote en de rechtmatigheid van die korting voor de Raad niet aan twijfel onderhevig is, kan op het hoger beroep worden beslist.

Het bestreden besluit wordt vernietigd, voorzover daarbij is gehandhaafd het besluit tot in mindering brengen van inkomen in verband met arbeid op de aan appellant toegekende toeslag. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, dient eveneens te worden vernietigd. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant, begroot op f 47,60 aan reiskosten. Tevens dient gedaagde het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht (totaal f 225,-) te vergoeden.




III.  BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede gedaagdes besluit van 24 december 1997, voorzover daarbij is gehandhaafd het besluit tot het in mindering brengen van een bedrag van f 306,76 aan inkomsten in verband met arbeid op de aan appellant ingaande 1 oktober 1997 toekomende toeslag;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van f 47,60 aan reiskosten;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van f 225,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2001.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x