Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AE4455
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-04-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de overschrijding van de bezwaartermijn terecht verschoonbaar geacht omdat betrokkene - zoals tevoren aan de SVB gemeld - gedurende langere tijd op vakantie was?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/957 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.] (BelgiŽ), appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 21 juli 1998 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat hij niet bevoegd is om deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Appellant heeft bij brief van 29 september 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Gedaagde heeft bij besluit van 3 december 1998 dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft het bij beroepschrift van 10 januari 1999 door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 3 december 1998 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 22 december 2000 ongegrond verklaard.

Appellant heeft bij beroepschrift van 1 februari 2001 op daarin aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft bij brief van 17 mei 2001 van verweer gediend.

Appellant heeft bij brief van 3 september 2001 nog een stuk ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van een Enkelvoudige Kamer van de Raad op 20 februari 2002, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. C.A.J. Mastenbroek.




II. MOTIVERING


De Raad dient in de eerste plaats (ambtshalve) te beoordelen of gedaagde bij het bestreden besluit appellant terecht in zijn tegen het primaire besluit van 21 juli 1998 gemaakte bezwaar heeft ontvangen. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Niet betwist is dat het primaire besluit ook op 21 juli 1998 aan appellant door toezending per post bekend is gemaakt. Bij gebreke van andersluidende aanwijzingen gaat ook de Raad uit van verzending van het primaire besluit aan appellant op deze dag. Gelet hierop alsmede in aanmerking genomen de dagtekening van het bezwaarschrift staat vast dat appellant voor het maken van zijn bezwaar tegen het primaire besluit de in de artikelen 6:7 tot en met 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven termijn van 6 weken na bekendmaking van dat besluit heeft overschreden. Appellant had dit in zijn bezwaarschrift kennelijk ook zelf onderkend, nu hij daarin aangaf dat hij door afwezigheid gedurende twee maanden op zijn adres in BelgiŽ niet binnen de gestelde termijn van 6 weken bezwaar kon maken. Naar aanleiding van de termijnoverschrijding bij het maken van bezwaar heeft gedaagde bij brief van 19 oktober 1998 appellant verzocht de reden van de te late indiening en van zijn afwezigheid mee te delen. Hierop heeft appellant bij brief, ingekomen bij gedaagde op 3 november 1998, gedaagde meegedeeld dat hij gedurende die 2 maanden een trektocht rond de Zwarte Zee heeft gemaakt en dat normaal bij langere afwezigheid van appellant zijn post wordt doorgestuurd of dat in dringende gevallen contact wordt gezocht maar dat zulks bij een rondreis als deze welhaast onmogelijk is. Vervolgens heeft gedaagde blijkens het bestreden besluit de termijnoverschrijding gepardonneerd omdat hij het primaire besluit aan appellant had toegezonden ondanks dat appellant in zijn brief van 21 januari 1998 al had aangegeven dat hij in het voorjaar weer voor langere tijd naar het buitenland zou gaan. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ten slotte vastgesteld dat appellant zijn bezwaarschrift tegen het primaire besluit te laat heeft ingediend en dat gedaagde deze termijnoverschrijding verschoonbaar heeft geacht.

Met betrekking tot de vraag of gedaagde de bij het bestreden besluit bedoelde termijnoverschrijding terecht met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar heeft geacht overweegt de Raad dat hij hiervoor geen plaats ziet om de in het bestreden besluit aangegeven reden. In de eerste plaats blijkt uit de brief van 21 januari 1998 niet voor hoe lang appellant in het buitenland zou verblijven. Voorts vormt verblijf in het buitenland op zich in het algemeen geen belemmering voor een bestuursorgaan om op een aanvraag van een betrokkene een besluit te nemen en dit bekend te maken. Het ligt immers op de weg van de betrokkene om in een dergelijk geval zodanige voorzorgsmaatregelen te nemen dat gewaarborgd is dat bijvoorbeeld naar aanleiding van een hem toegezonden besluit tijdig door of namens hem bezwaar - op al dan niet nader aan te geven gronden - kan worden gemaakt.

Ter zitting is van de zijde van gedaagde evenwel nog gesteld dat de in het bestreden besluit genoemde reden niet de enige grond voor gedaagde was om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Van die zijde is er namelijk op gewezen dat appellant in zijn op 30 januari 1998 gedateerde aanvraag vrijwillige AOW/Anw-verzekering een gemachtigde had aangewezen om zijn belangen te behartigen en dat het primaire besluit niet (tevens) aan die gemachtigde is toegezonden. Bij het daarop betrekking hebbende onderdeel van de aanvraag is aangegeven dat in geval van een machtiging alle correspondentie naar de gemachtigde wordt gezonden, hetgeen in beginsel ook voortvloeit uit het in artikel 2:1 van de Awb vastgelegde recht van een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Ter zitting verklaarde appellant evenwel dat de in zijn aanvraag vermelde gemachtigde zijn vriendin is die hem vergezelde op zijn reis rond de Zwarte Zee, zodat ook toezending van het primaire besluit aan zijn vriendin in dit geval niet zou hebben gewerkt.

Gelet op deze verklaring van appellant is de Raad van oordeel dat in dit geval ook het verzuim van gedaagde ten aanzien van de verzending van het primaire besluit niet reeds tot de conclusie dient te leiden dat de in geding zijnde termijnoverschrijding verschoonbaar dient te worden geacht. In de gegeven omstandigheden acht de Raad het immers zonder meer aannemelijk dat toezending van het primaire besluit mede of uitsluitend aan de in de aanvraag aangewezen gemachtigde, die overigens niet zelf op enig moment (alsnog) bezwaar heeft gemaakt namens appellant en van wie ook overigens niet is gebleken - noch door eigen handelen noch door de handelwijze van appellant zelf - dat zij in enige fase van de procedure met betrekking tot de aanvraag van appellant ook daadwerkelijk als zijn gemachtigde heeft gefungeerd, voor het tijdig maken van bezwaar niet tot een ander resultaat zou hebben geleid. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat evenmin is gebleken dat de gemachtigde zodanige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen dat gewaarborgd was dat tijdig bezwaar kon worden gemaakt, hetgeen voor risico van de appellant komt.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat appellant bij het bestreden besluit ten onrechte in zijn bezwaar is ontvangen, zodat dit besluit evenals de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat gedaagde bij het bestreden besluit had behoren te doen - en de rechtbank in de aangevallen uitspraak bij gebreke hiervan in het bestreden besluit -, te weten het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren, zal de Raad zelf voorzien in de zaak als hierna in rubriek III is aangegeven.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 21 juli 1998 niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde recht van Ä 102,10 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2002.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x