Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AE4662
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-05-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Korting op het AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/6056 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Zwitserland), appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Gedaagde heeft bij primair besluit van 1 november 2000 het verzoek van appellant om herziening van het eerder toegekende recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) afgewezen.

Bij beslissing op bezwaar van 28 februari 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 18 oktober 2001 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant is van die uitspraak bij de Raad op bij aanvullend beroepschrift - met bijlagen - aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 maart 2002 heeft appellant nog een nadere toelichting gegeven op het aanvullend beroepschrift.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans en mr. K.C.M. van Engelenhoven-Eijkelkamp, beiden werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft aan appellant met ingang van 1 januari 1995 een ouderdomspensioen krachtens de AOW toegekend, welke toekenning in rechte is komen vast te staan. Gedaagde heeft op dat pensioen een korting toegepast, onder meer omdat appellant in de periode van 1 maart 1982 tot 31 augustus 1983 niet verzekerd is geweest.

Bij brief van 7 oktober 2000 - met bijlage - heeft appellant aan gedaagde verzocht om bovengenoemde periode alsnog bij de berekening van zijn pensioen te betrekken, en het eerder toegekende pensioen te herzien. Appellant heeft daarbij aangevoerd dat hij in genoemde periode werkzaam was voor de Europese Octrooi Organisatie (hierna: EOO), doch dat hij in verband met die werkzaamheden geen pensioen ontvangt wegens de te korte duur van zijn dienstverband. Dit verzoek is bij primair besluit van 1 november 2000 afgewezen omdat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Bij het bestreden besluit is die afwijzing gehandhaafd, waarbij gedaagde ook heeft overwogen dat de evidente onjuistheid van het eerdere besluit niet is aangetoond.

De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven. Verder heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde niet van het horen van appellant had mogen afzien, doch de rechtbank heeft deze schending van de hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd.

Appellants bezwaren in hoger beroep komen er kort gezegd op neer dat nu hij geen recht heeft op pensioen uit hoofde van zijn werkzaamheden bij de EOO, bij de berekening van zijn ouderdomspensioen ingevolge de AOW ten onrechte geen rekening is gehouden met de periode dat hij bij de EOO werkzaam was. In verband daarmee is door appellant een beroep gedaan op het Koninklijk besluit van 3 mei 1989, Stb. 164, hierna: KB 164, en het Koninklijk besluit van 2 januari 1999, Stb. 746, hierna: KB 746.

De Raad overweegt als volgt.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde geweigerd terug te komen van een eerder rechtens onaantastbaar geworden besluit. Voor zover gedaagde daarbij gebruik heeft gemaakt van de in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb neergelegde aan het bestuursorgaan toekomende bevoegdheid, is de Raad van oordeel dat in het midden kan en zal worden gelaten het antwoord op de vraag of door appellanten feiten en omstandigheden zijn aangedragen als bedoeld in dat artikel, nu gedaagde aan die weigering (mede) een min of meer inhoudelijke beoordeling ten grondslag heeft gelegd. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient de rechter een dergelijke weigering te eerbiedigen, tenzij aan dat eerdere besluit dusdanige gebreken kleven of zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken. Daarbij ligt het op de weg van degene die het verzoek doet om feiten en omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht, dan wel de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.

Gelet op het hiervoor overwogene kan ook hier in het midden worden gelaten het antwoord op de vraag of door appellant feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld zijn aangedragen. De Raad is van oordeel dat hetgeen door appellant is aangevoerd voor gedaagde geen aanleiding hoefde te vormen het eerdere besluit te herzien door alsnog de periode van 1 maart 1982 tot 31 augustus 1983 bij de berekening van het AOW- pensioen te betrekken.

Ten tijde hier in geding was op appellant van toepassing het Koninklijke Besluit van 19 oktober 1976, Stb. 557. Ingevolge artikel 2, eerste lid, sub g van dit KB wordt niet als verzekerde in de zin van de AOW aangemerkt degene, die binnen het Rijk verblijf houdt op wie een regeling inzake uitkering wegens ouderdom, overlijden en langdurige arbeidsongeschiktheid alsmede inzake kinderbijslag van een volkenrechtelijke organisatie van toepassing is, in de gevallen door Onze Ministers en Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen. De EOO is één van de aangewezen organisaties.

Blijkens de brief van 17 november 1992 van de EOO was op appellant gedurende de periode dat hij werkzaam was voor die organisatie de regeling inzake overlijden, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en kinderbijslag van de EOO van toepassing. Dit betekent dat appellant toen op grond van artikel 2, eerste lid, sub g van KB 557 niet verzekerd was ingevolge de AOW. De Raad is met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat daaraan niet afdoet dat appellant als gevolg van een te korte verzekeringsduur uiteindelijk geen recht op pensioen op grond van de regeling van de EOO heeft gekregen. Voornoemde bepaling noemt slechts het van toepassing zijn van een regeling inzake uitkering wegens onder andere ouderdom als grondslag voor de uitsluiting van de verzekering, en stelt niet de voorwaarde dat daadwerkelijk (een duurzame) uitkering moet worden genoten.

Het beroep van appellant op KB 164 treft geen doel, reeds omdat dit KB pas op 1 juli 1989 in werking is getreden en geen voor dit geding relevante terugwerkende kracht heeft, zodat het ten tijde hier in geding niet van toepassing was. Hetzelfde geldt ook voor het beroep van appellant op KB 746.

Gelet hierop komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit de vorenbedoelde beperkte toetsing kan doorstaan.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T. L. de Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2002.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x