Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AE4674
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-05-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit waarbij betrokkene verzoekt om alsnog in het genot te worden gesteld van de overgangsvoordelen ingevolge de artikelen 55 en 56 van de AOW. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in eerste aanleg omdat het bestreden besluit nog niet tot stand is gekomen. De mededeling dat reeds beroep was ingesteld bij de rechtbank ontslaat het bestuursorgaan niet van de verplichting tot doorzending als bedoeld in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/1228 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Zwitserland), appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 11 april 2000 heeft gedaagde het verzoek van appellante om herziening van het aan haar bij besluit van 22 juni 1995 toegekende ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW), ter hoogte van 20% van het ouderdomspensioen voor een ongehuwde die niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, afgewezen.

Gedaagde heeft bij besluit van 28 juli 2000 (het bestreden besluit) het tegen het besluit van 11 april 2000 gemaakte bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 19 december 2000 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat dit beroep voortijdig was ingesteld.

Namens appellante is dr. E. Engelbrecht op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, met bijlagen, van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft de Raad bij schrijven van 26 juni 2001 medegedeeld zich te conformeren aan het oordeel van de rechtbank en geen verweerschrift in te dienen.

Namens appellante zijn bij brief van 10 juli 2001 nog enige stukken in het geding gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 april 2002, waar namens appellante is verschenen haar gemachtigde dr. Engelbrecht, voornoemd, en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans en mr. K.C.M. van Engelenhoven-Eijkelkamp, beiden werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft appellante bij besluit van 22 juni 1995 met ingang van 1 januari 1995 een ouderdomspensioen krachtens de AOW toegekend ter hoogte van 20% van het ouderdomspensioen voor een ongehuwde die niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, zijnde f 285,91 ( 129,74) bruto per maand, zonder haar in het genot te stellen van de overgangsvoordelen ingevolge de artikelen 55 en 56 van de AOW.

Bij schrijven van 16 februari 2000 heeft appellante gedaagde verzocht om herziening van het haar bij besluit van 22 juni 1995 toegekende recht op ouderdomspensioen ingevolge de AOW en heeft zij gedaagde verzocht om alsnog in het genot te worden gesteld van de overgangsvoordelen. Gedaagde heeft dit verzoek bij besluit van 11 april 2000 afgewezen, onder handhaving van zijn beslissing van 22 juni 1995.
Appellante heeft bij brief van 14 juli 2000 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 april 2000. In haar schrijven heeft appellante erkend de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift te hebben overschreden, maar heeft zij ter rechtvaardiging hiervan erop gewezen dat zij pas recentelijk bekend is geworden met voor haar zaak relevante jurisprudentie.
Gedaagde heeft het bezwaar hierop bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, daartoe stellende dat het bezwaarschrift dat gedateerd was op 14 juli 2000, en welke blijkens de poststempel op 13 juli 2000 is verzonden, is ingediend na afloop van de bezwaartermijn die op 24 mei 2000 eindigde, en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kon worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

Appellante is bij schrijven van 28 juni 2000 bij de rechtbank in beroep gekomen tegen de weigering van gedaagde haar de overgangsvoordelen ingevolge de AOW toe te kennen.
Bij schrijven van 31 juli 2000 heeft appellante gedaagde in reactie op het besluit van 28 juli 2000 medegedeeld dat de reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn gelegen was in de omstandigheid dat haar post wegens een meer dan een maand durend familiebezoek in de Verenigde Staten en een daaropvolgende grote verbouwing van haar huis is blijven liggen. Appellante heeft gedaagde voorts medegedeeld dat zij reeds beroep had ingesteld bij de rechtbank. Gedaagde heeft vervolgens na een telefonisch onderhoud met appellante, waarin zij bevestigde bij de rechtbank beroep te hebben ingesteld, vastgesteld dat de brief van 31 juli 2000 niet als beroepschrift naar de rechtbank doorgezonden behoefde te worden.

De rechtbank heeft het op 28 juni 2000 gedateerde beroep van appellante wegens het voortijdig instellen daarvan niet-ontvankelijk verklaard, daarbij oordelende dat niet gesteld of gebleken is dat ten tijde van de indiening van het beroepschrift het bestreden besluit van 28 juli 2000 reeds tot stand was gekomen, noch dat ten tijde van de indiening van het beroepschrift het bestreden besluit nog niet tot stand was gekomen maar appellante redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

In hoger beroep is namens appellante gesteld dat haar schrijven van 16 februari 2000 (door gedaagde opgevat als een verzoek om herziening) een bezwaarschrift is en gedaagdes besluit van 11 april 2000 niet kan worden aangemerkt als een beschikking op bezwaar nu zij voorafgaande aan deze beschikking niet is gehoord en deze beschikking evenmin is uitgegaan van de Sectie Bezwaar en Beroep. Gedaagdes besluit van 28 juli 2000 kan op voormelde gronden evenmin als een beschikking op het bezwaarschrift worden aangemerkt, waarbij namens appellante voorts is opgemerkt dat gedaagde haar nooit heeft gevraagd naar de reden van overschrijding van de bezwaartermijn. Gedaagde heeft, aldus appellante, derhalve in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld, en appellante was als gevolg van het uitblijven van een rechtsgeldig besluit op bezwaar binnen de daarvoor geldende termijn bevoegd bij de rechtbank in beroep te gaan.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep bij de rechtbank stelt de Raad dat gedaagde ingevolge artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de plicht had het schrijven van appellante van 31 juli 2000 zo spoedig mogelijk door te zenden naar de rechtbank, ongeacht de vraag of appellante daadwerkelijk eerder beroep had ingesteld bij de rechtbank. Naar het oordeel van de Raad ontslaat de door appellante in haar brief van 31 juli 2000 gedane, en later telefonisch bevestigde, mededeling dat zij reeds beroep had ingesteld bij de rechtbank gedaagde niet van de in voornoemd artikel opgelegde verplichting. De Raad merkt in dit verband op dat indien gedaagde dit schrijven zo spoedig mogelijk na ontvangst aan de rechtbank had doorgezonden, het beroep tijdig was geweest nu de termijn voor het indienen van beroep tegen het besluit van 28 juli 2000 eindigde op 8 september 2000.
De Raad is derhalve van oordeel dat het beroep bij de rechtbank ontvankelijk is en de rechtbank had moeten beoordelen of het bezwaar ontvankelijk was.
De aangevallen uitspraak kan daarom niet in stand worden gelaten. De Raad zal met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet de zaak niet terugwijzen maar zelf afdoen, omdat naar zijn oordeel geen nadere behandeling van de zaak door de rechtbank noodzakelijk is.

Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 april 2000 wegens overschrijding van de bezwaartermijn (kennelijk) niet ontvankelijk verklaard. Gelet op het gestelde in appellantes brief van 14 juli 2000 is niet in geding dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is overschreden. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Dienaangaande overweegt de Raad dat de door appellante ter verschoning van de overschrijding van de bezwaartermijn genoemde redenen, dat het haar naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie duidelijk is geworden dat zij moest procederen en dat haar post, waaronder het besluit van 11 april 2000, wegens een meer dan een maand durend familiebezoek in de Verenigde Staten en een daaropvolgende grote verbouwing van haar huis is blijven liggen, niet kunnen worden aangemerkt als redenen op grond waarvan de overschrijding van de bezwaartermijn voor verschoonbaar moet worden gehouden. De Raad merkt voorts op dat gelet op hetgeen appellante in haar bezwaarschrift van 14 juli 2000 heeft aangevoerd, dat het haar pas naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie duidelijk is geworden dat zij moest procederen, gedaagde terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 7:3 van de Awb en er voor gedaagde geen aanleiding was appellante te vragen naar de reden van de termijnoverschrijding.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Ten slotte acht de Raad, gelet op artikel 25, tweede lid, van de Beroepswet termen aanwezig te bepalen dat gedaagde het door appellante betaalde griffierecht in hoger beroep ad 77.14 (voorheen: f 170,-) aan haar dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond:
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot 644,- te betalen aan appellante:
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van 77.14 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2002.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x