Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AF3442
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is ter zake van het te laat inzenden van het levensbewijs terecht een schriftelijke waarschuwing opgelegd? Mist het primaire besluit een wettelijke grondslag. Kan betrokkene het niet nakomen van zijn verplichting worden verweten?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/2307 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Sociale Verzekeringsbank, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft vragen beantwoord.

Gedaagde heeft de Raad nog nadere brieven toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 oktober 2002, waar namens appellant is verschenen mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, terwijl gedaagde - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft gedaagde met ingang van oktober 1997 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend.

Op 19 oktober 1999 heeft appellant gedaagde, destijds woonachtig in Groot-Brittannië, een formulier levensbewijs toegezonden met het verzoek dat in te vullen, (mede) door een bevoegde autoriteit te doen ondertekenen en dit binnen de daarop gestelde termijn van zes weken te retourneren. Toen op dat verzoek binnen de gestelde termijn geen reactie was ontvangen, heeft appellant gedaagde bij brief van 14 december 1999 nogmaals een formulier levensbewijs toegezonden en daarbij aangegeven dat indien dit formulier niet binnen vier weken retour zou zijn ontvangen, de betaling van het AOW-pensioen zou worden stopgezet.

In reactie hierop heeft gedaagde appellant bij schrijven van 17 december 1999 bericht dat hij het formulier aan appellant had toegezonden, doch dat het hem op 18 november 1999 als onbestelbaar was geretourneerd, waarna hij het poststuk - na telefonisch bij appellant het adres te hebben gecontroleerd - opnieuw ter post had bezorgd. Dit schrijven van 17 december 1999 heeft appellant op 23 december 1999 bereikt.

Gedaagde heeft het door appellant op 14 december 1999 aan hem toegezonden formulier ingevuld, door een bevoegde autoriteit doen tekenen en aan appellant teruggezonden. Dit formulier is door appellant op 18 januari 2000 ontvangen.

Bij besluit van 2 februari 2000 heeft appellant gedaagde medegedeeld hem in verband met het te laat inzenden van het levensbewijs een waarschuwing op te leggen. Bij het bestreden besluit van 3 maart 2000 heeft appellant dat besluit na bezwaar gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit van 2 februari 2000 herroepen, met bepaling dat appellant aan gedaagde het betaalde griffierecht vergoedt. Zij heeft daartoe - kort gezegd - overwogen dat het bestreden besluit (kennelijk) berust op artikel 3, derde lid, van het Maatregelbesluit AOW en dat dit artikellid slechts ziet op het niet tijdig nakomen van een verplichting om op verzoek informatie te verstrekken als bedoeld in artikel 49 van de AOW. Nu het in het onderhavige geval handelt om het niet tijdig nakomen van een verplichting als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 7 van de Controlevoorschriften, is naar het oordeel van de rechtbank artikel 3, derde lid, van het Maatregelbesluit AOW niet van toepassing, zodat appellants besluit tot oplegging van een waarschuwing een wettelijke grondslag mist en in strijd is met het recht.

In hoger beroep heeft appellant het volgende naar voren gebracht.

"Het oordeel van de rechtbank Amsterdam is gebaseerd op de opvatting dat artikel 49 AOW niet is overtreden omdat artikel 5, derde lid, Controlevoorschriften AOW is overtreden. Deze opvatting is echter niet juist.

Artikel 49 AOW verplicht pensioengerechtigden er onder meer toe om op verzoek van de SVB alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering.
In casu was sprake van een verzoek van de SVB om mededeling te doen over het al dan niet in leven zijn van de belanghebbende. Dit is onmiskenbaar informatie die onmiddellijk van invloed is op het recht op uitkering zodat het verzoek om informatie als een verzoek in de zin van artikel 49 AOW begrepen dient te worden. In meer algemene zin kunnen wij daar nog het volgende aan toevoegen.

Artikel 49 AOW heeft niet alleen betrekking op wijzigingen die zich ten aanzien van het recht op uitkering voordoen, maar heeft tevens betrekking op de verificatie van feiten en omstandigheden. Met andere woorden, de vraag of zich überhaupt een wijziging heeft voorgedaan, wordt evenzeer bestreken door artikel 49 als de vraag wat voor wijziging zich heeft voorgedaan. In sommige opzichten vormen de Controlevoorschriften derhalve slechts een nadere precisering van de verplichting vervat in artikel 49 AOW. Daarnaast bevatten de Controlevoorschriften uiteraard bepalingen betreffende zaken die niet direct met het recht op uitkering te maken hebben, maar veeleer met procedurele aspecten betreffende de verificatie van gegevens (bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van een geldig identificatiebewijs voor het maken van een kopie daarvan).
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank Amsterdam een verkeerde opvatting hanteert ten aanzien van de uitleg van artikel 49 AOW en artikel 3 derde lid van het Maatregelbesluit AOW en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van de SVB een wettelijke grondslag mist."

De Raad kan zich hierin vinden. De rechtbank is derhalve ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de oplegging van een waarschuwing aan gedaagde een wettelijke grondslag miste.

Ten aanzien van de bij het bestreden besluit gehandhaafde oplegging van een waarschuwing overweegt de Raad verder het volgende.

Het op 19 oktober 1999 aan gedaagde toegezonden formulier levensbewijs is niet binnen de daarop genoemde termijn van tien weken door appellant retour ontvangen. Evenmin heeft het door appellant op 14 december 1999 aan gedaagde toegezonden formulier appellant binnen de in de begeleidende brief genoemde termijn van vier weken bereikt. Daarmee staat vast dat gedaagde - en dit wordt door hem ook niet betwist - niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 49 van de AOW op hem rustende verplichting.

Gedaagde heeft aangevoerd dat hij het op 19 oktober 1999 aan hem toegezonden formulier ingevuld heeft teruggezonden, doch op 18 november 1999 weer retour heeft ontvangen met de vermelding dat het adres onbekend was. Nadat hij, aldus gedaagde, telefonisch had nagegaan dat de adressering juist was, heeft hij het poststuk nogmaals verstuurd. Op 2 maart 2000 heeft hij dit wederom retour ontvangen, waarna hij het met een begeleidend schrijven waarin een en ander werd uiteen gezet, in een nieuwe enveloppe naar appellant heeft gezonden. Dit stuk heeft appellant op 7 maart 2000 bereikt. De enveloppe waarin het formulier tot twee keer toe was verzonden bevindt zich onder de gedingstukken en ondersteunt gedaagdes stellingen, terwijl voorts uit een door gedaagde overgelegde telefoonnota blijkt dat hij op 18 november 1999 telefonisch contact met het kantoor van appellant heeft gehad.

Gedaagde heeft voorts naar voren gebracht dat hij het formulier dat appellant hem op 14 december 1999 heeft toegezonden, eerst op (vrijdag) 14 januari 2000 heeft teruggezonden omdat per (maandag) 17 januari 2000 een verhuizing plaatsvond van de locatie Zwolle, waar gedaagdes dossier werd behandeld, naar de vestiging Deventer. Zijdens appellant is ter zitting van de Raad bevestigd dat die verhuizing in het weekend van 15 en 16 januari 2000 plaatsvond.

Onder bovengenoemde omstandigheden had appellant naar het oordeel van de Raad toepassing moeten geven aan artikel 5 van het Maatregelenbesluit AOW. Dit artikel luidt als volgt:
"Indien ten genoegen van de Bank aannemelijk wordt gemaakt dat het niet nakomen van een verplichting zoals opgelegd in de Controlevoorschriften AOW niet kan worden verweten aan degene die de verplichting is opgelegd, worden de artikelen 3 en 4 niet toegepast."

Immers, gedaagde heeft naar aanleiding van het hem op 19 oktober 1999 toegezonden formulier tot twee maal toe gepoogd dit formulier tijdig naar - zoals uit de enveloppe blijkt - het juiste adres terug te zenden. Dat dit formulier appellant niet tijdig heeft bereikt, valt gedaagde op geen enkele wijze aan te rekenen. Voorts heeft gedaagde na de ontvangst van het hem op 14 december 1999 toegezonden formulier om niet onbegrijpelijke redenen gewacht met de verzending aan appellant totdat de verhuizing van de locatie Zwolle naar de vestiging Deventer achter de rug was, omdat hij vreesde dat ook dit formulier als onbestelbaar zou worden geretourneerd.

Gezien het vorenstaande had appellant moeten concluderen dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat gedaagde het niet nakomen van zijn verplichting niet kan worden verweten. Appellant had op die grond het opleggen van een maatregel achterwege moeten laten.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit, alsook - nu het hier vastgestelde gebrek niet kan worden geheeld - het primaire besluit van 2 februari 2000 niet in stand kunnen blijven. De aangevallen uitspraak komt derhalve, zij het met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt derhalve als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2002.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x