Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AF7507
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de niet-verzekerde periode waarop de korting op de toeslag op het AOW-pensioen is gebaseerd juist vastgesteld? Voldoet betrokkene aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de overgangsvoordelen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/4037 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 juli 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 februari 2003, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Van Ham, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.J.N. Keuper, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant is [in] 1932 geboren in Turkije en is aldaar op 1 januari 1950 gehuwd met [naam echtgenote], geboren [in] 1936. In mei 1966 is appellant naar Nederland gekomen en heeft vervolgens hier te lande werkzaamheden in loondienst verricht. Appellant is vanaf 1966 in Nederland blijven wonen en zijn echtgenote is in Turkije blijven wonen, alwaar appellant ook enige maanden per jaar verblijft.

Gedaagde heeft ingaande 1 juni 1997 aan appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 82% van het pensioen voor een gehuwde. Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan dat appellant van 1 januari 1957 tot en met 10 mei 1966 niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW en dat appellant voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de zogenoemde overgangsvoordelen voor tijdvakken gelegen vr 1 januari 1957. Tevens heeft gedaagde bij besluit van 4 april 1997 met ingang van 1 juni 1997 een toeslag ingevolge de AOW aan appellant toegekend, waarop een korting is toegepast van 32%. Gedaagde heeft besloten tot deze korting, omdat de echtgenote van appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW vanaf 1 januari 1957 tot 1 februari 1968 en zij niet voldoet aan een van de voorwaarden op grond waarvan het tijdvak vanaf haar 15e verjaardag tot 1 januari 1957 als verzekerd tijdvak in aanmerking kan worden genomen, omdat zij niet in Nederland woont. Bij besluit van 19 augustus 1997, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen de korting op de aan hem toegekende toeslag ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, voorzover gedaagde bij dat besluit het tijdvak van 11 mei 1966 tot 1 februari 1968 niet heeft aangemerkt als verzekerd tijdvak, en dat besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat haar uitspraak wat betreft voornoemd tijdvak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit en heeft zij de korting op de toeslag vastgesteld op 28%. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Zoals nader ter zitting van de Raad toegelicht kan appellant zich niet verenigen met de korting op de toeslag voorzover die betrekking heeft op het tijdvak van 20 september 1951 tot 1 januari 1957, op de grond dat niet zou worden voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de zogenoemde overgangsvoordelen. Appellant is op een drietal gronden van oordeel dat gedaagde ten onrechte een korting toepast voor dit tijdvak. Ten eerste meent appellant dat artikel 13, tweede lid, van de AOW geen grondslag biedt voor een korting met betrekking tot tijdvakken gelegen vr 1 januari 1957. Ten tweede stelt appellant dat hij op grond van artikel 27 van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (Trb. 1966, nr. 155, hierna: het Verdrag) in aanmerking komt voor de overgangsvoordelen. Ten derde stelt appellant dat sprake is van een vorm van indirect onderscheid naar nationaliteit die strijdig is met artikel 3, eerste lid, van Besluit 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije.

De Raad stelt voorop dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of gedaagde terecht een korting heeft toegepast op de aan appellant toegekende toeslag op zijn ouderdomspensioen ingevolge de AOW voor het tijdvak van 20 september 1951 tot 1 januari 1957, waarbij de Raad zich zal beperken tot de bespreking van de hiervoor weergegeven grieven van appellant.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de AOW wordt een korting toegepast op het pensioen van 2% voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar doch vr het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd is geweest. Eenzelfde korting wordt op grond van het tweede lid van deze bepaling toegepast op de toeslag voor elk kalenderjaar dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde na het bereiken van zijn 15-jarige leeftijd en voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de pensioengerechtigde niet verzekerd is geweest. Voorts is in de eerste volzin van artikel 55 van de AOW bepaald dat voor de toepassing van artikel 13, eerste lid, van de AOW personen die vr 1 januari 1957 de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt, onder bepaalde voorwaarden geacht kunnen worden verzekerd te zijn geweest vanaf hun 15de levensjaar. De tweede volzin van dit artikel luidt aldus: "Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin, wordt, uitsluitend voor de vaststelling van de toeslag, bedoeld in artikel 8 met toepassing van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onderdeel a, de jongere echtgenoot van de pensioengerechtigde geacht het 59ste levensjaar te hebben voleindigd op dezelfde dag als de pensioengerechtigde."

De Raad stelt allereerst vast dat uit de eerste volzin van artikel 55 voortvloeit dat de korting bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de AOW ook betrekking heeft op tijdvakken gelegen vr 1 januari 1957, voorzover niet voldaan is aan de voorwaarden op grond waarvan betrokkenen geacht kunnen worden voor die datum verzekerd te zijn geweest. Hoewel de tweede volzin van artikel 55 hieromtrent minder duidelijk is, is de Raad van oordeel dat deze bepaling, nu daarin wordt gesproken over de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin, aldus verstaan dient te worden dat de korting op de toeslag op dezelfde wijze berekend dient te worden, behoudens de hiervoor vermelde specifieke regeling omtrent het bereiken van de leeftijd van 59 jaar voor de jongere echtgenoot. Dit betekent dat de eerste grief van appellant niet slaagt.

Alvorens over te gaan tot de bespreking van de overige twee grieven van appellant, welke beide betrekking hebben op de vraag of de echtgenote van appellant met toepassing van bepalingen van internationaal recht voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de zogenoemde overgangsvoordelen, stelt de Raad vast dat op grond van de artikelen 55 en 56 van de AOW -kort samengevat- aanspraak bestaat op deze overgangsvoordelen wat betreft de aanspraak op toeslag indien en zolang de echtgenote van appellant:
a. Nederlandse is, dan wel haar nationaliteit gelijkgesteld kan worden met de Nederlandse nationaliteit;
b. vanaf de 59ste verjaardag van appellant ten minste zes jaren in Nederland heeft gewoond, waarbij tijdvakken van verzekering ingevolge de AOW gelijkgesteld worden met wonen in Nederland;
c. in Nederland woont.
Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote van appellant voldoet aan de onder a en b genoemde voorwaarden. Aan de onder c genoemde voorwaarde voldoet zij echter niet, zodat op grond van het bepaalde in de AOW geen aanspraak bestaat op de overgangsvoordelen.

Namens appellant is aangevoerd dat op grond van artikel 27, tweede lid, van het Verdrag wel aanspraak bestaat op deze voordelen. Dit artikellid luidt aldus: "De in de Nederlandse wettelijke regeling inzake de ouderdomsverzekering bedoelde overgangsvoordelen voor personen die op 1 januari 1957 tussen 15 en 65 jaar oud waren, worden aan Turkse onderdanen onder dezelfde voorwaarden toegekend als aan Nederlandse onderdanen."
De Raad is anders dan appellant van oordeel dat op grond van deze bepaling niet aangenomen kan worden dat de echtgenote van appellant voldoet aan de voorwaarde dat zij in Nederland woont. Het hiervoor weergegeven artikellid voorziet in een gelijke behandeling van Turkse en Nederlandse onderdanen, hetgeen inhoudt dat aan Turkse onderdanen geen andere voorwaarden gesteld mogen worden dan aan Nederlandse onderdanen. Op grond van deze bepalingen kan de hiervoor onder a genoemde voorwaarde derhalve niet aan Turkse onderdanen tegengeworpen worden, doch daaruit volgt naar het oordeel van de Raad geenszins dat ook de hiervoor onder c genoemde voorwaarde niet voor Turkse onderdanen gesteld kan worden. Ook Nederlandse onderdanen die niet in Nederland wonen komen op grond van de hiervoor weergegeven bepalingen immers niet in aanmerking voor de overgangsvoordelen. De Raad is derhalve van oordeel dat het tweede lid van artikel 27 van het Verdrag niet voorziet in een gelijkstelling voor Turkse onderdanen van wonen in Turkije met wonen in Nederland, zodat ook de tweede grief van appellant niet kan slagen.

Ten aanzien van de stelling van appellant dat de voorwaarden voor de aanspraak op overgangsvoordelen voor de ten laste komende echtgenote een vorm van indirecte discriminatie naar nationaliteit oplevert die strijdig is met artikel 3 van Besluit 3/80, kan en zal de Raad in het midden laten of deze bepaling in dit geval van toepassing is nu de echtgenote van appellant niet op het grondgebied van een lidstaat van de EG woont. Voorts merkt de Raad op dat voorzover in deze zaak al gesproken kan worden van een indirect onderscheid naar nationaliteit dit onderscheid in belangrijke mate samenhangt met een onderscheid naar woonplaats, nu appellant uitsluitend op de grond dat zijn echtgenote niet in Nederland woont, niet voldoet aan de voorwaarden voor aanspraak op overgangsvoordelen voor wat betreft de hoogte van zijn toeslag.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de korting op de toeslag op de grond dat de echtgenote van appellant niet voldoet aan laatstgenoemde voorwaarde niet onverenigbaar is met de norm van gelijke behandeling als neergelegd in artikel 3 van Besluit 3/80, noch met enige andere supranationaalrechtelijke of verdragsrechtelijke bepaling. Daarbij acht ook de Raad de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG met betrekking tot artikel 10 van EG-Verordening 1408/71 en het karakter van het AOW-pensioen als een opbouwstelsel van wezenlijk belang en onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen. Dit betekent dat ook de derde grief van appellant faalt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2003.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x