Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AF8725
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening en terugvordering van de toeslag op het AOW-pensioen wegens inkomsten van betrokkenes partner in de perioden in geding. Heeft het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij te veel aan toeslag ontving?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5554 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant is mr. A. Huijsman, werkzaam bij het Christelijk Nationaal Vakverbond, op nader aan te voeren gronden, in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam onder dagtekening 28 september 2000 tussen partijen gegeven uitspraak.

Bij brief van 5 februari 2001 heeft mr. Huijsman aan de Raad bericht dat zij zich terugtrekt als gemachtigde van appellant.

Bij brief - annex bijlagen - gedagtekend 1 maart 2001 heeft appellant de gronden aangegeven waarop het beroep rust.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief gedateerd 17 januari 2003 heeft appellant nadere stukken ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 7 februari 2003 waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren [in] 1930, ontvangt sedert 1 februari 1995 bij zijn AOW-pensioen een inkomenafhankelijke toeslag voor zijn echtgenote. Bij brief gedateerd 25 maart 1997 heeft appellant aan gedaagde een wijziging in de (WW-)uitkering van zijn echtgenote medegedeeld. Aangegeven wordt dat het inkomen van zijn echtgenote fl. 668,- per maand bedraagt. Bij brief van 2 juni 1997 heeft appellant wederom gegevens betreffende de uitkering van zijn echtgenote aan gedaagde doen toekomen. Uit een tweetal zich onder de gedingstukken bevindende stukken gedateerd 6 en 7 oktober 1997 leidt de Raad af dat appellant aan gedaagde heeft medegedeeld dat hij van het GAK heeft vernomen dat de WW-uitkering van zijn echtgenote in januari 1997 is toegekend met terugwerkende kracht vanaf 24 juni 1996. Met ingang van dezelfde datum is een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Uit informatie van de werkgever van appellants echtgenote is appellant gebleken van nabetalingen door de werkgever in de maanden juni en augustus 1996.

Bij besluit van 17 oktober 1997 heeft gedaagde appellants toeslag op diens AOW-pensioen, in verband met de inkomsten van zijn echtgenote, over de maanden juni tot en met september 1996, alsmede de maanden januari en juli 1997 herzien. De teveel betaalde toeslag ad fl. 8.642,31 wordt teruggevorderd. Tevens is daarbij een verrekeningsvoorstel gedaan. Voorgesteld wordt vanaf januari 1998 fl. 600,- per maand te verrekenen met het AOW-pensioen.

Appellant heeft bij brief gedateerd 10 november 1997 bezwaar gemaakt tegen de terugvordering en aangegeven het niet eens te zijn met het verrekeningsvoorstel.

Bij besluit van 11 maart 1998 is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 31 maart 1999 het beroep tegen het in die procedure bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en opdracht gegeven binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft de vernietiging doen steunen op de overweging dat gedaagde bij dit besluit geen onderscheid heeft gemaakt naar de toepasselijke wettelijke terugvorderingsbepalingen vr en na 1 augustus 1996.

Gedaagde heeft daarop een onderzoek ingesteld naar de aflossingscapaciteit van appellant.
Bij besluit van 10 april 2000 - het in deze procedure bestreden besluit - is, onder toepassing van de correcte terugvorderingsbepalingen, het besluit van 17 oktober 1997 gehandhaafd. De maandelijkse terugbetaling/verrekening van de door appellant te veel ontvangen AOW-toeslag is vastgesteld op fl. 500,- per maand.

Bij uitspraak van 28 september 2000 heeft de rechtbank Rotterdam op het door appellant ingestelde beroep beslist.
De rechtbank heeft voorop gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de toeslag - achteraf - ten onrechte is betaald, en dat derhalve de onverschuldigdheid van de betaling daarvan tussen partijen vaststaat. Daaropvolgend heeft de rechtbank geconstateerd dat de vernietiging door de rechtbank van het besluit van 17 oktober 1997 steunde op een motiveringsgebrek. Gedaagde had het bezwaar dan ook gegrond moeten verklaren en, onder herroeping van het besluit van 17 oktober 1997, een nieuw besluit moeten nemen.
Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat de terugvordering - in de onderscheiden perioden - de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Datzelfde geldt voor de verrekeningsbeslissing.
Op die gronden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard en het besluit van 17 oktober 1997 is gehandhaafd. Verder heeft de rechtbank bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit, hetgeen inhoudt dat het dictum van dit besluit luidt dat het bezwaar gegrond wordt verklaard, dat het besluit van 17 oktober 1997 wordt herroepen en dat voor het overige wordt besloten zoals vermeld in het bestreden besluit.

In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat de rechtbank, ten onrechte, geen gevolgen heeft verbonden aan de overschrijding door gedaagde van de termijn voor het indienen van een verweerschrift. Verder wordt aangevoerd dat appellant geen inzicht had in het inkomen van zijn echtgenote, terwijl zijn echtgenote deze gegevens niet vrij gaf. Navraag bij het GAK leerde dat het GAK aan hem deze gegevens niet mocht verstrekken, terwijl de gegevens wl aan de SVB werden verstrekt. Verder wordt aangevoerd dat de gang van zaken een negatieve invloed heeft gehad op de gezondheid van appellant en dat gedaagde administratief haar zaken niet op orde heeft (waarvan appellant de dupe is).

De Raad oordeelt als volgt.

Met betrekking tot de klacht dat de rechtbank ten onrechte de overschrijding van de termijn voor het indienen van een verweerschrift door gedaagde zou hebben gepardonneerd, overweegt de Raad dat de in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn een termijn van orde is, zodat aan overschrijding van die termijn in beginsel geen gevolgen zijn verbonden. Door appellant zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld, die moeten meebrengen dat daar in het onderhavige geval anders over zou moeten worden geoordeeld.

Ten gronde stelt de Raad voorop dat het geschil tussen partijen in hoger beroep beperkt is tot dat onderdeel van het bestreden besluit dat ziet op de terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag.
Ten aanzien van de periode vr 1 augustus 1996 overweegt de Raad als volgt. Appellants grief dat hij geen inzicht had in het inkomen van zijn echtgenote vindt geen steun in de gedingstukken. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat appellant op de hoogte was van de relevantie van wijzigingen in het inkomen van zijn echtgenote voor (de hoogte van) zijn recht op toeslag, als ook dat appellant meerdere malen een dergelijke inkomenswijziging aan gedaagde heeft doorgegeven. Naar het oordeel van de Raad had het appellant derhalve redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij teveel aan toeslag ontving. Gedaagde was dan ook, gezien artikel 24, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW, zoals deze bepaling destijds luidde, bevoegd de onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen. De gebruikmaking van die bevoegdheid door gedaagde kan, naar het oordeel van de Raad, de hier toepasselijke beperkte rechterlijke toetsing doorstaan.

Ten aanzien van de periode n 1 augustus 1996 kunnen, naar het oordeel van de Raad, de door appellant aangedragen feiten en omstandigheden niet worden aangemerkt als 'dringende redenen' als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de AOW, zodat, ingevolge het eerste lid van deze bepaling, gedaagde verplicht was de na genoemde datum aan appellant onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen.

De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2003.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x