Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW / AWW / AAW
x
LJN:
x
AN4052
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-06-1994
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vrijwillige verzekering voor AOW, AWW en AAW. De enkele omstandigheid dat betrokkene Nederland feitelijk heeft verlaten, is onvoldoende om te concluderen dat betrokkene niet meer in Nederland woont.
 
 
 

 

 
Uitspraak 1993/42 AOW en 1993/84 AWW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Zwitserland), eiseres,

en

het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 26 juni 1992 heeft gedaagde aan eiseres kennis gegeven van zijn beslissing eiseres niet toe te laten tot de vrijwillige verzekeringen ingevolge de Algemene Oudersdomswet (hierna: AOW) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (hierna: AWW), aangezien het verzoek daartoe door eiseres niet is ingediend binnen de wettelijke aanmeldingstermijn.

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 9 maart 1993 het namens eiseres tegen die beslissing ingediende beroep ongegrond verklaard.

Eiseres is van tegen die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. In het beroepschrift heeft zij de gronden waarop het hoger beroep berust, uiteengezet.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 4 mei 1994, waar eiseres niet is verschenen. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door J. Crompvoets, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vůůr 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten, als geregeld in artikel 8:75 van de Awb.

Eiseres heeft in januari 1991 een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekeringen ingevolge de AOW en de AWW.
Gedaagde heeft bij de bestreden beslissing dit verzoek afgewezen, aangezien dit niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van het Koninklijk besluit van 2 januari 1990, Stb. 38, is ingediend binnen ťťn jaar na het einde van de verplichte verzekering. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat de verplichte verzekering van eiseres is geŽindigd op 1 februari 1989, zijnde de datum waarop eiseres zich feitelijk vanuit Nederland in Zwitserland heeft gevestigd teneinde aldaar te gaan samenwonen met [betrokkene]. Per die datum is ook op aangeven van eiseres zelf haar uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet beŽindigd.

Eiseres is van oordeel dat zij ook nog geruime tijd na 1 januari 1989 als ingezetene van Nederland dient te worden beschouwd, aangezien er ook toen sprake was van banden met Nederland.

De Raad overweegt als volgt.

Verzekerd ingevolge de AOW en de AWW zijn onder meer de ingezetenen van Nederland. Ingezetene is degene die in Nederland woont, terwijl de vraag waar iemand woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld. Volgens de jurisprudentie van de Raad is er sprake van wonen in Nederland indien er een band van duurzame aard bestaat tussen Nederland en de betrokkene. Bij die beoordeling dienen alle omstandigheden (feitelijke/juridische/economische) in aanmerking te worden genomen.
Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde zich bij zijn beslissing slechts heeft laten leiden door het sedert 1 februari 1989 feitelijk niet meer verblijven van eiseres in Nederland. De Raad is van oordeel dat gedaagde door niet de overige omstandigheden mede in zijn oordeelsvorming te betrekken een - op zijn minst - onvolledige afweging en deswege motivering aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, zodat deze vernietigd dient te worden, opdat gedaagde zich opnieuw zal kunnen beraden omtrent het verzoek van eiseres.
De enkele omstandigheid dat eiseres Nederland feitelijk heeft verlaten, is onvoldoende om reeds op die grond te concluderen dat eiseres niet meer in Nederland woont. De Raad merkt in dit verband op dat eiseres - anders dan bijvoorbeeld bij vluchtelingen het geval is - niet iedere binding met het land van herkomst heeft opgegeven. Zo heeft eiseres steeds haar huis in Nederland aangehouden - op welk adres zij in ieder geval tot 15 oktober 1992 ingeschreven heeft gestaan - en zijn pas eind 1990/begin 1991 nieuwe bewoners op dat adres ingeschreven, die overigens familieleden van eiseres zijn.
Tevens acht de Raad van belang dat eiseres heeft aangegeven dat zij - toen zij in februari 1989 in Zwitserland ging samenwonen met [betrokkene] - rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat "het niet goed zou gaan", in welk geval zij naar Nederland zou zijn teruggekeerd. De Raad acht een dergelijke overweging niet onaannemelijk en merkt daarbij nog op dat eiseres (pas) op 25 oktober 1990 met [betrokkene] in het huwelijk is getreden.
Gedaagde zal, deze omstandigheden mede in aanmerking nemend, een nieuwe beslissing dienen te nemen inzake de beŽindiging van de verplichte verzekeringen, en daarmee van de aanvang van de aanvraagtermijn voor de vrijwillige verzekeringen.

De Raad is niet gebleken dat aan de zijde van eiseres in hoger beroep proceskosten zijn gevallen, welke voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking zouden kunnen komen.

Mede gelet op artikel 80a, vijfde lid, van de Beroepswet, zoals die tot 1 januari 1994 luidde, beslist de Raad als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede de bestreden beslissing;
Verstaat dat gedaagde een nieuwe beslissing zal dienen te nemen inzake het verzoek van eiseres om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekeringen ingevolge de AOW en de AWW met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat gedaagde aan eiseres het gestorte griffierecht van f. 75,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. A.F.M. Brenninkmeijer en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. van Dijk als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 1994 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.D.W. Smit-van Valkenhoef als griffier.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, tweede en derde lid, 2, 3 en 6 van de AOW en 2, 3 en 7 van de AWW. Dit beroep wordt ingesteld door binnen twee maanden nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x