Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AO1677
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-11-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het recht op een AOW-pensioen is wegens niet-verzekerde jaren vastgesteld op 2% van het maximale pensioen van een gehuwde. Pensioenopbouw in een andere lidstaat dan Nederland. Is er sprake van discriminatie?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/159 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Duitsland), appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante heeft, op bij beroepschrift - annex bijlage - van 4 januari 2001 aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2000, verzonden op 28 december 2000, waarnaar hierbij zij verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief gedateerd 14 oktober 2003 zijn namens appellante de gronden waarop het beroep rust nader uiteengezet.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 oktober 2003, waar appellante, zoals tevoren was bericht, niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen J.A.H. Dijcks, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante, die geboren is op 16 februari 1934, heeft de Duitse nationaliteit. Zij is op 13 juni 1963 gehuwd met [naam echtgenoot], die de Nederlandse nationaliteit heeft. Appellante heeft nimmer in Nederland gewoond of gewerkt. Haar echtgenoot is wel in Nederland verzekerd geweest en wel van 18 september 1962 tot 24 april 1963, van 16 juni 1963 tot 20 juli 1963, van 2 november 1963 tot 21 december 1963 en van 17 september 1981 tot 16 december 1987. Appellante is tussen 1 april 1948 en 30 april 1994 veelvuldig in Duitsland verzekerd geweest, waarvan tussen 1 november 1974 en 30 april 1994 onafgebroken als werknemer.

Bij besluit van 30 mei 2000 - het bestreden besluit - heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 februari 2000 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft gedaagde aan appellante een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 2% van het volledige pensioen voor een gehuwde.

Het bestreden besluit steunt op de overweging dat appellante aan het nationale recht geen recht op pensioen ingevolge de AOW kan ontlenen. Gedaagde heeft vervolgens onderzocht of appellante aan het internationale recht aanspraak op pensioen ingevolge de AOW kan ontlenen. In dat verband is overwogen dat tot 1 oktober 1972, zijnde de datum waarop de Verordening (EG) nr. 1408/71 in werking is getreden, van toepassing is de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de toepassing van de Nederlandse wetgeving inzake de algemene ouderdomsvoorziening (NDO). Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de NDO is appellante verzekerd geweest gedurende de perioden van 16 juni 1963 tot en met 19 juli 1963 en van 2 november 1963 tot en met 20 december 1963.
Vervolgens is gedaagde nagegaan of appellante aan Bijlage VI van Verordening (EEG) nr. 1408/71 een recht op pensioen krachtens de AOW kan ontlenen. Op grond van het bepaalde onder 2b van deze Bijlage wordt de korting bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de AOW, niet toegepast voor kalenderjaren of delen daarvan welke vˇˇr 2 augustus 1989 zijn gelegen en die, kort gezegd, samenvallen met verzekeringstijdvakken die door de echtgenoot zijn vervuld en gedurende welke tijdvakken zij met elkaar waren gehuwd. Blijkens het bepaalde onder 2h van deze Bijlage geldt het bepaalde onder 2b van de Bijlage evenwel niet voor tijdvakken welke samenvallen met tijdvakken die in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van pensioenrechten ingevolge de ouderdomsverzekering van een andere Lid-Staat dan Nederland. Hoewel appellantes echtgenote verzekerd is geweest voor de AOW van 17 september 1981 tot 16 december 1987 kan appellante aan deze verzekerde is periode geen recht op pensioen ingevolge de AOW ontlenen, nu deze periode samenvalt met tijdvakken die in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van haar pensioenrechten ingevolge de ouderdomsverzekering in Duitsland.
Gedaagde heeft geconcludeerd dat appellante in totaal 49 jaar niet verzekerd is geweest voor de AOW, wat resulteert in een korting van 98%.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de in rubriek I genoemde uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante onder meer betoogd dat zij over dezelfde periode als verzekerd voor de AOW dient te worden aangemerkt als haar man op grond van zijn arbeidsverleden in Nederland verzekerd is geweest. Appellantes belangrijkste grief is dat door gedaagde degenen die werken, en derhalve uit eigen hoofde pensioenrechten opbouwen, gediscrimineerd worden ten opzichte van degenen die niet werken.

Door gedaagde is in verweer onder meer opgemerkt dat Verordening (EEG) 1408/71 co÷rdinatiebepalingen bevat en geen harmonisatie beoogt. Volgens de Verordening dienen de eigen kenmerken van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid te worden gerespecteerd. Volgens de hoofdregel van de AOW is iemand op grond van ingezetenschap verzekerd ingevolge deze wet. Daarbij is geen sprake van discriminatie van de werkende vrouw ten opzichte van de niet-werkende vrouw.

Het gaat in het onderhavige geschil om de beantwoording van de vraag of gedaagde met recht appellantes recht op een AOW-pensioen heeft vastgesteld op 2% van het maximale pensioen van een gehuwde.

Met overneming van de gronden in de aangevallen uitspraak beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

De Raad stelt voorop dat in de onderhavige procedure uitsluitend (nog) in geschil is de periode van 17 september 1981 tot 16 december 1987. Immers alleen in deze periode is appellantes echtgenoot op grond van het verrichten van arbeid verzekerd geweest voor de AOW, terwijl appellante toen als werknemer in Duitsland pensioenrechten heeft opgebouwd.

In dat verband stelt de Raad vast dat het door appellante gewraakte onderscheid tussen werkenden en niet-werkenden haar grondslag vindt in het bepaalde in artikel 2, onder h, van Bijlage VI van Verordening 1408/71, waar, kort gezegd, aan de verzekering van de echtgenoot te ontlenen verzekerde tijdvakken van de huwelijkspartner niet in aanmerking worden genomen indien deze zelf verzekerde tijdvakken in een andere lidstaat opbouwt.

De Raad acht deze regeling in de Bijlage niet in strijd met het, ook door de gemeenschapswetgever te respecteren, algemene rechtsbeginsel dat verplicht tot gelijke behandeling van gelijke gevallen. De Raad wijst daartoe allereerst op de doelstelling van de Verordening, in de kern de bevordering van het vrije verkeer en de gelijke behandeling van werknemers en zelfstandigen Ún verhoging van de levensstandaard binnen de Gemeenschap. In Bijlage VI van de Verordening worden daartoe, in afwijking van de nationale Nederlandse regeling, AOW-rechten toegekend aan de op het grondgebied van een andere lidstaat dan Nederland wonende en niet hier te lande verzekerde huwelijkspartner van een in Nederland verzekerde werknemer of zelfstandige, tenzij de huwelijkspartner uit eigen hoofde pensioenrechten in een andere lidstaat opbouwt. Laatstgenoemde uitzondering, welke beoogt een cumulatie van pensioenrechten te voorkomen, is naar het oordeel van de Raad, in het licht van de hiervoor beschreven doelstelling van de Verordening, redelijk en objectief gerechtvaardigd te achten. Voor zover al, in het licht van de doelstelling van de Verordening, gesproken kan worden van vergelijkbare gevallen, levert het gemaakte onderscheid naar het oordeel van de Raad dan ook geen verboden onderscheid tussen werkenden en niet-werkenden op.

De Raad concludeert dat het hoger beroep geen doel treft.

De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uit het voorafgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 november 2003.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x