Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AO3758
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning van AOW-pensioen bij gemoedsbezwaarden. De datum van aanvraag is later dan de mogelijke ingangsdatum van het AOW-pensioen van de gemoedsbezwaarde, omdat betrokkene geen nadere actie heeft ondernomen. Dit blijft voor rekening van de gemoedsbezwaarde.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/437 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant is bij beroepschrift van 22 december 2001, met bijlage, aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 19 december 2001, nummer AOW 01/407, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 november 2003, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren op 21 juli 1930, is met ingang van 13 januari 1965 als gemoedsbezwaarde vrijgesteld van het betalen van premie voor onder andere de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij schrijven van 2 februari 1998 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat hij niet wist dat de door hem betaalde premievervangende belasting op een spaarrekening bij de Sociale verzekeringsbank is gestort. Voorts heeft appellant in dit schrijven om een opgave van het saldo op zijn rekening gevraagd. Bij schrijven van 10 maart 1998 heeft gedaagde de rechten van appellant op een zogenoemde uitkering gemoedsbezwaarden AOW aan hem kenbaar gemaakt. Daarbij heeft gedaagde opgemerkt dat reeds op 9 september 1996 een aanvraagformulier voor deze uitkering naar de boekhouder van appellant is verzonden en dat er geen apart formulier is ontwikkeld voor het aanvragen van deze uitkering. Nadat op 22 mei 2000 nogmaals telefonisch overleg met appellants boekhouder had plaatsgevonden, is op 14 juni 2000 een aanvraagformulier aan appellant toegezonden. Uiteindelijk heeft appellant de aanvraag voor de uitkering gemoedsbezwaarden AOW bij brief van 30 juni 2000 ingediend.

Bij primair besluit van 4 augustus 2000 heeft gedaagde appellant met ingang mei 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering gemoedsbezwaarden AOW. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de AOW, zodat er naar het oordeel van gedaagde geen aanleiding bestaat om de uitkering eerder dan met ingang van mei 1999 aan appellant toe te kennen. Het tegen dit besluit door appellant ingestelde bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 1 maart 2001 (hierna: het bestreden besluit) onder handhaving van zijn standpunt dat in de onderhavige kwestie geen sprake is van een bijzonder geval ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Met gedaagde is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de AOW. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het beleid van gedaagde ten aanzien van het aannemen van een bijzonder geval in overeenstemming is met de jurisprudentie van deze Raad. Naar het oordeel van de rechtbank is gesteld noch gebleken dat appellant niet in staat was om eerder dan op 30 juni 2000 een aanvraag voor de uitkering gemoedsbezwaarden AOW in te dienen. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een verschoonbare onbekendheid met een mogelijk recht op een uitkering gemoedsbezwaarden AOW. Indien er bij appellant onduidelijkheid zou hebben bestaan over zijn recht op uitkering dan had hij naar het oordeel van de rechtbank informatie kunnen inwinnen bij gedaagde of het Ministerie van FinanciŽn.

In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat sprake is van een bijzonder geval, omdat gedaagde hem pas in 2000 duidelijk heeft gemaakt dat hij als gemoedsbezwaarde met een aanvraagformulier voor een AOW-pensioen de uitkering gemoedsbezwaarden AOW kon aanvragen. Appellant blijft van oordeel dat hij daarvoor onvoldoende is geÔnformeerd door gedaagde. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant een door gedaagde aan zijn echtgenote op 65-jarige leeftijd toegezonden brief overgelegd, waarin is vermeld dat de uitkering gemoedsbezwaarden AOW in tegenstelling tot het AOW-pensioen niet op verzekering is gebaseerd, dat de vragen over verzekering niet hoeven te worden ingevuld en dat er voor het aanvragen van een uitkering gemoedsbezwaarden AOW geen apart formulier is, maar dat zij wordt verzocht om het formulier "aanvraag AOW" als zodanig te beschouwen.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 48, eerste lid, van de AOW is - voorzover hier van belang - bepaald dat degene die premievervangende inkomsten- of loonbelasting als bedoeld in artikel 20 van de Wet Financiering Volksverzekeringen heeft betaald recht heeft op uitkering, indien en zolang hij recht heeft op ouderdomspensioen krachtens de AOW en hij wegens gemoedsbezwaren geen aanspraak maakt op dit ouderdomspensioen.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 14 tot en met 26, 31 en 33, van de AOW, voorzover daarvan in bij ministeriŽle regeling te stellen regels niet wordt afgeweken, van overeenkomstige toepassing.
Krachtens artikel 16, eerste lid, van de AOW gaat het ouderdomspensioen in op de eerste dag van de maand waarin de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet. In afwijking hiervan kan een ouderdomspensioen krachtens het tweede lid, eerste volzin, van dit artikel niet vroeger ingaan dan een jaar vůůr de eerste dag van de maand, waarin de aanvraag werd ingediend of waarin ambtshalve toekenning plaatsvond. In bijzondere gevallen kan hiervan op grond van artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de AOW worden afgeweken. Van belang is voorts dat ingevolge artikel 14, eerste lid, van de AOW het ouderdomspensioen alsmede de verhoging van het ouderdomspensioen op aanvraag wordt toegekend.

Uit het bepaalde in vermelde artikelen vloeit voort dat aan appellant eerst voor een uitkering gemoedsbezwaarden AOW in aanmerking kan worden gebracht nadat hij een aanvraag daartoe heeft ingediend. Gelet hierop ziet de Raad zich voor de beantwoording van de vraag gesteld of een eerder contact dan het contact op 22 mei 2000, naar aanleiding van welk contact appellant op 30 juni 2000 een aanvraag heeft ingediend, als een aanvraag in de zin van artikel 14, eerste lid, van de AOW kan worden aangemerkt. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe overweegt de Raad dat gesteld noch gebleken is dat het contact tussen de boekhouder van appellant en gedaagde in september 1996 meer was dan een verzoek om informatie over de uitkering gemoedsbezwaarden AOW, terwijl het daarop volgend door gedaagde aan appellant opgestuurde aanvraagformulier door appellant niet is geretourneerd. Ook het verzoek van appellant van 2 februari 1998 om een overzicht van de door hem opgebouwde rechten op een uitkering gemoedsbezwaarden AOW, kan naar het oordeel van de Raad niet als aanvraag worden beschouwd, nu ook in dit geval het door gedaagde aan appellant opgestuurde aanvraagformulier door deze niet is ingevuld en geretourneerd. De Raad leidt uit deze gang van zaken af, dat appellant om hem moverende redenen niet eerder dan middels het naar aanleiding van het telefonisch onderhoud op 22 mei 2000 met appellants boekhouder toegezonden aanvraagformulier een aanvraag om een uitkering gemoedsbezwaarden AOW heeft ingediend. Derhalve heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht mei 2000 als datum aanvraag van deze uitkering aangemerkt.

Vervolgens dient de Raad te beoordelen of in de onderhavige kwestie sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan gedaagde had moeten besluiten om de uitkering gemoedsbezwaarden AOW met ingang van meer dan ťťn jaar terugwerkende kracht aan appellant toe te kennen. Hoewel de Raad het voorstelbaar acht dat gedaagde aan de aparte regeling voor gemoedsbezwaarden meer specifieke aandacht besteedt in het aanvraagformulier, is de Raad anders dan appellant van oordeel dat gedaagde in het onderhavige geval voldoende informatie aan appellant heeft verstrekt om tot een (tijdige) aanvraag van een uitkering gemoedsbezwaarden AOW te kunnen komen. Blijkens het verhandelde ter zitting van de Raad stuurt gedaagde aan gemoedsbezwaarden een half jaar voordat zij 65 jaar worden een begeleidend schrijven bij het aanvraagformulier, waarin is vermeld op welke wijze gemoedsbezwaarden een uitkering kunnen aanvragen. Blijkens het schrijven van gedaagde van 10 maart 1998 zijn op 9 september 1996 de voorwaarden voor een uitkering gemoedsbezwaarden AOW ook met de boekhouder van appellant besproken. Voorts is in dit schrijven onder andere nogmaals aan appellant medegedeeld dat er geen apart aanvraagformulier voor de aanvraag van een uitkering gemoedsbezwaarden AOW is ontwikkeld, maar dat appellant daarvoor het aanvraagformulier voor een AOW-pensioen kan gebruiken. Indien en voorzover er bij appellant na ontvangst van vermelde informatie van gedaagde en de aanvraagformulieren nog onduidelijkheid bestond, had het naar het oordeel van de Raad op de weg van appellant gelegen om gedaagde hierover te benaderen. Appellant heeft er echter om hem moverende redenen voor gekozen om tot mei 2000 geen nadere actie te ondernemen. De gevolgen van deze keuze dienen volgens de Raad voor risico van appellant te blijven. De Raad is derhalve van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de AOW.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2004.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x