Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AO5319
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terecht is aangenomen dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 1 van de AOW. Hoofdverblijf en wederzijdse verzorging. Er is geen sprake van een kostgangersrelatie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/4138 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent appellant de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Middelburg op 11 juli 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. Awb 00/714, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft A.P.J. Roctus, gemachtigde, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 januari 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door E.W. Viertelhauzen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer Roctus.




II. MOTIVERING


De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde ontving sedert 1 januari 1998 een nabestaandenuitkering op basis van de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Bij besluit van 10 september 1999 is aan gedaagde met ingang van 1 juni 1999 in de vorm van een voorschot een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde. Bij besluit van 22 september 1999 is de betaling van deze AOW-uitkering met ingang van oktober 1999 geschorst tot de hoogte van een uitkering voor een gehuwde.
Op basis van de uitkomst van een door appellant ingesteld onderzoek naar de leefsituatie van gedaagde, heeft appellant bij besluiten van 4 januari 2000 de hierboven genoemde uitkeringen van gedaagde herzien, in die zin dat zij met ingang van 1 januari 1998 recht heeft op een Anw-uitkering van 30% van het minimumloon en dat zij per 1 juni 1999 recht heeft op een AOW-uitkering voor een gehuwde of een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert, zonder AOW-toeslag, een en ander op de grond dat gedaagde een gezamenlijke huishouding voert met [naam partner].

Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 november 2000 gegrond verklaard voorzover gericht tegen de herziening van de Anw-uitkering en ongegrond verklaard voorzover gericht tegen de herziening van de AOW-uitkering.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit op bezwaar van 16 november 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen gezamenlijke huishouding tussen gedaagde en [naam partner] heeft aangenomen, mede in aanmerking genomen dat de relatie tussen beiden het karakter van een commerciŽle relatie te boven gaat.

Gedaagde heeft aangevoerd dat wederzijdse verzorging zich niet voordeed, aangezien uitsluitend door haar aan [naam partner] zorg werd verleend, terwijl evenmin sprake was van een intieme relatie tussen beiden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Krachtens artikel 1, derde lid, onder a, van de AOW wordt in deze wet als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het vierde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat daarvan in het geval van gedaagde en [naam partner], in de periode vanaf 1 juni 1999 tot aan het overlijden van [naam partner] in april 2001, sprake was.

Het tweede criterium waaraan voldaan moet zijn, is dat van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiŽle verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Daarvan uitgaande is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens in het onderhavige geval toereikend zijn voor de conclusie dat gedaagde en [naam partner] ten tijde hier in geding ook aan het criterium van wederzijdse verzorging voldeden.

Vast is komen te staan dat gedaagde en [naam partner] van de woning, de daarin aanwezige voorzieningen en het meubilair gezamenlijk gebruik maakten, met uitzondering van elkaars slaapkamer. Voorts is niet in geschil dat gedaagde (dagelijks) zorg verleende aan [naam partner]. Verder is uit het onderzoek naar de leefsituatie van gedaagde en [naam partner] gebleken dat beiden hebben bijgedragen aan de inrichting van de woning, dat [naam partner] af en toe in financiŽle zin bijsprong bij de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen, dat [naam partner] werkzaamheden verrichtte in het tuintje bij de woning, dat betrokkenen beschikten over een machtiging voor elkaars bankrekeningen en dat gedaagde [naam partner] als erfgenaam had aangewezen in haar testament.

Van een zakelijke kostgangersrelatie tussen gedaagde en [naam partner] kan, gelet op het voorafgaande, niet worden gesproken. Daarbij is nog van belang dat de afspraken over kost, inwoning en zorg alsmede de daarvoor bedongen prijs niet in een contract waren vastgelegd alsmede dat niet kan worden gesproken van een commerciŽle prijs.

Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft appellant terecht aangenomen dat gedaagde en [naam partner] vanaf 1 juni 1999 een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 1 van de AOW voerden.

Dat gedaagde en wijlen haar echtgenoot er destijds voor hebben gekozen [naam partner] in huis te nemen met het oog op diens hulpbehoevendheid, maakt dat niet anders. Evenmin is van belang of tussen gedaagde en [naam partner] al dan niet een intieme relatie bestond. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van de AOW moeten het motief voor het voeren van de gezamenlijke huishouding en de tussen betrokkenen bestaande relatie alsmede hun persoonlijke gevoelens daaromtrent buiten beschouwing blijven.

Het voorafgaande brengt mee dat appellant, gelet op het bepaalde in artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW, de AOW-uitkering van gedaagde terecht met ingang van 1 juni 1999 heeft herzien.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, op grond waarvan appellant geheel of gedeeltelijk van herziening kon afzien, is de Raad niet gebleken.

Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking en dient het inleidende beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x