Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AO6205
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is met ingang van de datum in geding de hoogte van het AOW-pensioen en de aan betrokkene toekomende toeslag op het juiste bedrag vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5547 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Frankrijk), appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Bij besluiten van 31 augustus 1999 heeft gedaagde de hoogte van het ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) van appellant met ingang van 1 februari 1997 bepaald op f 1069,79 bruto per maand en het bedrag van de toeslag ingevolge de AOW op f 256,75 bruto per maand.

Bij besluit van 24 maart 2000 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen deze besluiten gegrond verklaard, in dier voege dat de hoogte van het AOW-pensioen en de toeslag eerst ingaande september 1999 wordt herzien en vastgesteld op f 1174,43 respectievelijk f 281,86 bruto per maand.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 25 september 2000, nr. AOW 00/2719, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant twee reacties heeft ingezonden.

Beide partijen hebben de Raad toestemming verleend zonder behandeling ter zitting uitspraak te doen.




II. MOTIVERING


Gelet op de toestemming van partijen als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) sluit de Raad het onderzoek.

Appellant, geboren [in] 1928, is getrouwd geweest met [naam echtgenote]. In november 1996 is de samenwoning beŽindigd en op 17 januari 1997 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Het recht op de toeslag die appellant voor zijn echtgenote ontving, is per 1 december 1996 beŽindigd en vanaf die datum ontving appellant een volledig pensioen voor een ongehuwde (f 1489,96 bruto per maand).
Met ingang van 1 februari 1997 woont appellant samen met [naam partner], geboren [in] 1940, die tussen haar 15e jaar en het moment waarop appellant 65 jaar is geworden nimmer verzekerd is geweest voor de AOW. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde bij besluiten van 20 april 1998 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 februari 1997 recht heeft op een AOW-pensioen van f 1069,79 bruto per maand en een toeslag van f 143,37 bruto per maand. Dit laatste bedrag is 24% van de maximale toeslag. Het bedrag van het AOW-pensioen is echter bij besluit van 27 april 1998 met ingang van 1 februari 1997 weer gewijzigd in f 1542,21. Tegen deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt en daarbij onder meer aangevoerd dat de hoogte van de toeslag die hij voor zijn partner ontvangt lager is dan die hij voor zijn ex-echtgenote ontving. Bij besluit van 13 januari 1999 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard, waarin appellant heeft berust.

Gedaagde heeft daarna de besluiten van 31 augustus 1999 afgegeven, waarbij de hoogte van het AOW-pensioen en de toeslag waarop appellant ingaande 1 februari 1997 recht heeft is vastgesteld op f 1069,79 respectievelijk f 256,75 bruto per maand. Zowel het maximale pensioen voor een gehuwde als de maximale toeslag bedraagt in het geval van appellant 50% van het wettelijk minimumloon.

In bezwaar heeft appellant zich gekeerd tegen het feit dat hij, na aanvankelijk onder de zogeheten 70/30%-regeling te zijn gevallen, thans met terugwerkende kracht onder de 50/50%-regeling is gebracht.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de maximale bedragen waarvan het ouderdomspensioen en de toeslag in het geval van appellant worden afgeleid gehandhaafd op 50% van het wettelijk minimumloon. Daartoe heeft gedaagde overwogen dat de verhouding van het AOW-pensioen en de toeslag voor 1 februari 1994 70% pensioen en 30% toeslag was. Met ingang van 1 februari 1994 is de AOW met betrekking tot de hoogte van het ouderdomspensioen gewijzigd. Vanaf februari 1994 heeft alleen de ongehuwde en de daarmee gelijkgestelde pensioengerechtigde recht op een AOW-pensioen van 70% van het minimumloon. De gehuwde en daarmee gelijkgestelde pensioengerechtigde heeft met ingang van februari 1994 recht op een AOW-pensioen van 50% van het minimumloon. De toeslag bedraagt met ingang van februari 1994 ook 50% van het minimumloon. Voor de groep AOW-gerechtigden die een AOW-pensioen in de verhouding 70/30 ontvingen, werd een overgangsregeling getroffen. Betrokkenen behouden het zogenaamde 70/30 pensioen totdat de (huwelijks)partner de 65-jarige leeftijd bereikt. Deze overgangsbepaling is echter niet meer van toepassing wanneer het huwelijk of de samenwoning wordt verbroken. Bij een eventueel nieuw huwelijk of nieuwe samenwoning heeft de pensioengerechtigde recht in de verhouding 50/50. Gelet op het feit dat appellant is gescheiden, alleen is gaan wonen en vanaf 1 februari 1997 weer samenwoont, is de nieuwe regeling vanaf die datum op hem van toepassing. Het in het besluit van 27 april 1998 vermelde bedrag is dan ook niet juist. Omdat appellant deze fout niet kon onderkennen ziet gedaagde af van herziening met terugwerkende kracht, zodat de regeling die vanaf 1 februari 1994 geldt, eerst ingaande 1 september 1999 op appellant van toepassing wordt.

De rechtbank heeft het bestreden besluit onderschreven en daarbij de grief van appellant dat sprake is van een discriminerende regeling verworpen. De door appellant gesignaleerde ongelijkheid is terug te voeren op het onderscheid tussen pensioengerechtigden met een partner jonger dan 65 jaar die (een aantal jaren) niet verzekerd is (geweest) voor de AOW en pensioengerechtigden met een partner jonger dan 65 jaar die wel vanaf de 15-jarige leeftijd ononderbroken verzekerd is voor de AOW. Onder verwijzing naar de in RSV 1992/158 gepubliceerde uitspraak van de Raad, heeft de rechtbank overwogen dat een dergelijk onderscheid niet discriminerend is.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat gedaagde de verandering op 1 februari 1997 over het hoofd heeft gezien en dus heeft gehandeld alsof er niets was veranderd met als gevolg dat de 70/30%-regeling is blijven gelden. Hieruit volgt naar appellants mening dat een overgang naar de 50/50%-regeling pas kan plaatsvinden, als de partner 65 jaar wordt of als de huidige samenwoning zou worden beŽindigd.
Ter onderbouwing van zijn grief dat sprake is van een discriminerende regeling heeft appellant aangevoerd dat de vermindering van de toeslag die evenredig is met het aantal niet-verzekerde jaren, als gevolg van de overgang van de 70/30%-regeling naar de 50/50%-regeling, evenredig toeneemt met het aantal niet-verzekerde jaren. Hierdoor wordt in feite een dubbele korting toegepast.

De Raad overweegt als volgt.

In geschil is uitsluitend de vraag of gedaagde met ingang van 1 september 1999 de hoogte van het AOW-pensioen van appellant en de aan hem toekomende toeslag op het juiste bedrag heeft vastgesteld. De Raad beperkt zich tot dat punt.

De bij Wet van 23 oktober 1993, Stb. 1993, 592, met ingang van 1 februari 1994, ingevoerde wijzigingen in de AOW, zoals uiteengezet in het bestreden besluit, vormen de aanleiding voor dit geding. Het aanvankelijk voor appellant vastgestelde AOW-pensioen en de aan hem toekomende toeslag voor zijn ex-echtgenote waren gebaseerd op de 70/30%-regeling. Met ingang van 1 februari 1994 is die regeling komen te vervallen en bedraagt de verhouding van het ouderdomspensioen en de toeslag 50/50% van het wettelijk minimumloon.
In het eerste lid van artikel II van de Wet van 23 oktober 1993 is bepaald dat de bepalingen van de AOW, zoals die wet luidde vůůr de datum van inwerkingtreding van deze wet, ook op en na die datum van toepassing blijven op de pensioengerechtigde die vůůr die datum recht had op ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde van wie de echtgenoot jonger is dan 65 jaar, zolang deze echtgenoot de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt. In het tweede lid van artikel II is bepaald dat het eerste lid geen toepassing meer vindt indien op een datum op of na de inwerkingtreding van deze wet, het huwelijk van de pensioengerechtigde met de in het eerste lid bedoelde echtgenoot is geŽindigd.

Nu het huwelijk van appellant met [naam echtgenote] op 17 januari 1997 is geŽindigd, dient op grond van voornoemde overgangsbepalingen te worden aangenomen dat vanaf dat moment de bij Wet van 23 oktober 1993, Stb. 1993, 592, met ingang van 1 februari 1994 ingevoerde wijzingen in de AOW op appellant van toepassing zijn geworden en appellant bij een eventueel nieuw huwelijk of nieuwe samenwoning niet langer onder de 70/30%-regeling valt. Dit betekent dat op appellant vanaf 1 februari 1997, de dag waarop hij een duurzame huishouding is gaan voeren met mevrouw Bouzon, de met ingang van 1 februari 1994 ingevoerde 50/50%-regeling van toepassing is geworden. Dat gedaagde aanleiding heeft gezien de 50/50%-regeling eerst per 1 januari 1999 op appellant toe te passen, omdat hij, zonder dat dit door appellant had kunnen worden onderkend, in zijn besluit van 27 april 1998 de hoogte van het AOW-pensioen en de toeslag onjuist had vastgesteld, komt de Raad niet onjuist voor. De Raad ziet hierin geen aanleiding appellant in zijn standpunt te volgen dat gedaagde gehouden is de 70/30%-regeling toe te passen totdat zijn partner 65 jaar wordt of de huidige samenwoning zou worden beŽindigd.

Ten aanzien van de grief van appellant met betrekking tot het discriminerend effect van de wijziging van de 70/30%-regeling naar de 50/50%-regeling, onderschrijft de Raad allereerst hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Ook het versterkend effect van de toegepaste korting dat optreedt als gevolg van de wijziging in de AOW, is terug te voeren op het aantal niet-verzekerde jaren. De Raad acht hierbij tevens van belang, zoals al eerder uitgesproken in de in RSV 1998/187 gepubliceerde uitspraak, dat de 70/30%-verhouding in wezen een vreemd element is geweest in de AOW-systematiek.

Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x