Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AO9049
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-05-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is er sprake van hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse verzorging?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/12 AOW en 02/284 AOW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3,4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellanten heeft mr. W.C.G.J. Sterk, advocaat te Heerlen, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank Maastricht op 27 november 2001 tussen partijen gewezen uitspraken, reg.nrs. 01/340 AOW en 01/341 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 23 maart 2004, waar appellanten en hun gemachtigde met kennisgeving niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.F Sturmans werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante en appellant hebben op respectievelijk 2 november 1984 en 26 september 1980 een aanvraag om ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend. Bij besluiten van 22 november 1984 respectievelijk 12 december 1980 heeft gedaagde aan hun met ingang van 1 februari 1985 respectievelijk 1 september 1980 een ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde toegekend.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante zou samenwonen met appellant heeft gedaagde een onderzoek ingesteld. In het kader daarvan heeft op 2 augustus 2000 een onaangekondigd huisbezoek plaats gevonden bij appellante. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in de "checklist onderzoek van de leefsituatie" van 2 augustus 2000, aangevuld met een rapport van 3 augustus 2000.

Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft gedaagde bij besluiten van 25 augustus 2000 de ouderdomspensioenen van ieder van appellanten met ingang van 1 augustus 1995 herzien en nader vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluiten van 1 februari 2001 heeft gedaagde de namens appellanten tegen de besluiten van 25 augustus 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Appellanten zijn - ieder voor zich - van het aan hen gerichte besluit op bezwaar in beroep gekomen.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten van 1 februari 2001 ongegrond verklaard.

De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellanten vanaf 1 augustus 1995 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en of op grond daarvan gedaagde terecht de pensioenen van appellanten heeft herzien.

Waar het hier een herziening met terugwerkende kracht betreft, dient deze vraag beantwoord te worden aan de hand van de materiŽle bepalingen van de AOW zoals die in de betreffende periode hebben gegolden. In dat verband is van belang dat de omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding in de AOW met ingang van 2 januari 1998 is gewijzigd. Nu vaststaat dat gedaagde de herziening van het recht op pensioen uitsluitend gebaseerd heeft op de wettelijke bepalingen zoals die golden vanaf 2 januari 1998, komen de besluiten van 1 februari 2001 voor zover deze zien op de herziening over de periode van 1 augustus 1995 tot en met 2 januari 1998, wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van de twee aldus te onderscheiden perioden overweegt de Raad het volgende.



a. Met betrekking tot de periode van 1 augustus 1995 tot 2 januari 1998

Ingevolge artikel 1, vierde lid (oud) respectievelijk vijfde lid (oud) van de AOW kan van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde respectievelijk vierde lid, slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden welke tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van het gezamenlijk voorzien in huisvesting. De feitelijke vaststelling dat de betrokken personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, is volgens vaste rechtspraak van de Raad al voldoende om aan te nemen dat gezamenlijk wordt voorzien in huisvesting. Dat laatste blijkt ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het arrest van 22 december 1995, gepubliceerd in NJ 1996, nr. 331).

De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellant in de periode in geding zijn hoofdverblijf had bij appellante. De Raad baseert zich daarbij op de verklaringen, zoals deze zijn opgenomen in de bovenvermelde checklist van 2 augustus 2000, met de inhoud waarvan appellanten zich beiden akkoord hebben verklaard door deze te ondertekenen. Voor een andere conclusie is in de ogen van de Raad geen plaats.

Het tweede criterium betreft het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Dit kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiŽle verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat ten tijde in geding bij appellanten sprake was van wederzijdse zorg en sluit zich aan bij de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

Daarmee staat voor de Raad vast dat appellanten over de periode van 1 augustus 1995 tot 2 januari 1998 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.



b. Met betrekking tot de periode vanaf 2 januari 1998

Artikel 1, vierde lid (tekst vanaf 2 januari 1998), van de AOW bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Aangezien niet is gebleken dat de feitelijke situatie in de hier aan de orde zijnde periode anders was dan in de periode vůůr 2 januari 1998, is met hetgeen hiervoor onder a. is overwogen tevens gegeven dat appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, terwijl in die periode evenzeer is voldaan aan het zorgcriterium als omschreven in artikel 1, vierde lid, van de AOW.

Ook ten aanzien van dit tijdvak moet derhalve worden aangenomen dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden, en wel als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.



Herziening

Artikel 17, eerste lid, van de AOW bepaalt - voorzover in dit geding van belang - dat het ouderdomspensioen door gedaagde wordt herzien, wanneer degene aan wie het is toegekend ingevolge het bij of krachtens de AOW bepaalde daarvoor niet of niet meer, dan wel voor een lager pensioen in aanmerking komt. In artikel 17, derde lid, AOW is onder meer bepaald dat het ouderdomspensioen, indien het ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, wordt ingetrokken onderscheidenlijk herzien met ingang van de dag waarop het is ingegaan.

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het bestaan van de gezamenlijke huishouding van appellanten is overwogen volgt dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat het ouderdomspensioen tot een te hoog bedrag was vastgesteld vanaf 1 augustus 1995, zodat gedaagde gehouden was vanaf die datum tot herziening van het ouderdomspensioen van appellanten over te gaan.

De Raad ziet voorts met de rechtbank in de omstandigheden van appellanten geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

Gelet op het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 1 februari 2001 in stand te laten.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op Ä 644,-- in beroep en op Ä 322,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten voor zover betrekking hebbend op de periode van 1 augustus 1995 tot 2 januari 1998.
Verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van de besluiten van 1 februari 2001 in stand blijven.
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van in totaal Ä 966,-- , te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellanten het betaalde griffierecht van in totaal Ä 218,46 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.C. de Wit.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Ouderdomswet kan ieder van partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x