Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AP1900
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn de ouderdomspensioenen van betrokkenen terecht herzien en nader vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert? Is er sprake van een kostgangersrelatie?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/1625 AOW, 02/1626 AOW, 02/1621 AOW en 02/1673 AOW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale Verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellanten heeft mr. C.A.L. Keijzers, advocaat te Tilburg, op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 17 januari 2002 onder reg.nrs. 00/7372 AOW en 00/7363 AOW tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 4 mei 2004, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Keijzers en waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Keijzers, terwijl gedaagde werd vertegenwoordigd door J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft appellant met ingang van 1 januari 1993 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde.

Op 8 januari 1997 heeft appellante een aanvraag om ouderdomspensioen ingediend. Omdat zij op het aanvraagformulier had aangegeven een kostganger of onderhuurder te hebben, heeft een buitendienstmedewerker van gedaagde ter zake een onderzoek ingesteld. Aan de hand van een “Vragenlijst met betrekking tot het onderzoek ongehuwd samenwonen ter uitvoering van de Algemene Ouderdomswet/Algemene nabestaandenwet” hebben appellanten een aantal vragen aangaande hun woon- en leefsituatie beantwoord. Zij hebben die vragenlijst met antwoorden op 3 februari 1997 voor akkoord getekend. Bij besluit van 7 februari 1997 heeft gedaagde aan appellante met ingang van mei 1997 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend naar de norm voor een ongehuwde.

Naar aanleiding van een tip dat appellanten zouden samenwonen hebben twee sociaal rechercheurs van gedaagde een onderzoek ingesteld. In het kader daarvan is een huisbezoek afgelegd, zijn appellanten verhoord en is een tweetal getuigen gehoord.

Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft gedaagde bij twee afzonderlijke besluiten van 19 juli 2000 - voorzover hier van belang - de ouderdomspensioenen van appellanten met ingang van mei 1997 herzien en nader vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluiten van 31 oktober 2000 respectievelijk 27 oktober 2000 heeft gedaagde de door appellante en appellant tegen de besluiten van 19 juli 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 31 en 27 oktober 2000 ongegrond verklaard.

Namens appellanten is het oordeel van de rechtbank in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad staat in deze gedingen primair voor de beantwoording van de vraag of gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellanten van mei 1997 tot juli 2000 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Omdat het hier een herziening met terugwerkende kracht betreft dient deze vraag beantwoord te worden aan de hand van de materiële bepalingen van de AOW zoals die in de betreffende periode hebben gegolden. In dat verband is van belang dat de omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding in de AOW met ingang van 2 januari 1998 is gewijzigd. Omdat vaststaat dat gedaagde de herziening van het recht op pensioen van appellanten uitsluitend heeft gebaseerd op de bepalingen zoals die ingaande 2 januari 1998 gelden, komen de besluiten van 31 en 27 oktober 2000 in zoverre de herziening ziet op de periode van mei 1997 tot 2 januari 1998 wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van de twee aldus te onderscheiden periodes overweegt de Raad het volgende.



a. Met betrekking tot de periode van 1 mei 1997 tot 2 januari 1998

Ingevolge artikel 1, vijfde lid (oud), van de AOW kan van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het vierde lid slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden welke tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet relevant.

De Raad is van oordeel dat appellanten tijdens de hier aan de orde zijnde periode hebben voldaan aan het criterium van het gezamenlijk voorzien in huisvesting. Uit de op 3 februari 1997 ondertekende vragenlijst en de processen-verbaal van verhoor op 10 mei 2000 blijkt dat appellanten elk een eigen slaapkamer hadden, maar verder beiden gebruik maakten van alle vertrekken in de woning aan de [adres] te [woonplaats] en de daarin aanwezige voorzieningen. Het bedrag van f 290,-- dat appellante maandelijks via haar girorekening van appellant ontving, wendde zij vooral aan voor de betaling van de huur, omdat zij minder huursubsidie ontving in verband met de medebewoning door appellant. Gelet op de hoogte van dit bedrag dat niet als een commerciële prijs is aan te merken alsmede op het feit dat de woning aan de [adres] zich niet leent voor bewoning door twee personen in die zin dat zij in afzonderlijk gedeeltes van de woning hun hoofdverblijf hebben, moet naar het oordeel van de Raad worden gezegd dat appellanten gezamenlijk in huisvesting voorzagen.

Voorts is de Raad met de rechtbank en op de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van oordeel dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de van belang zijnde feiten en omstandigheden zijn ontleend aan de op 3 februari 1997 door appellanten ondertekende vragenlijst en de processen-verbaal van verhoor van appellanten op 10 mei 2000 die eveneens door hen zijn getekend. Op basis van deze stukken, aan de juistheid waarvan de Raad geen reden heeft te twijfelen, kan naar het oordeel van de Raad niet anders worden geoordeeld dan dat de relatie tussen appellanten niet door zakelijke elementen werd beheerst en hetgeen in een zakelijke kostgangersrelatie gebruikelijk is, te boven ging. In dit verband merkt de Raad nog op dat hij, evenmin als de rechtbank, aan de in beroep overgelegde overeenkomst, gedateerd 5 juni 1997, de betekenis kan hechten die appellanten daaraan toegekend willen zien. Niet alleen staat het in die overeenkomst genoemde bedrag aan kostgeld van f 635,-- per maand op gespannen voet met het door appellanten op 3 februari 1997 vermelde bedrag aan kostgeld van f 280,-- maar ook kan van de overeenkomst niet worden gezegd dat daarin zakelijk en duidelijk is vermeld wat de wederzijdse rechten en plichten van appellanten zijn.

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat appellanten gedurende de hier aan de orde zijnde periode een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de AOW.



b. Met betrekking tot de periode van 2 januari 1998 tot 1 juli 2000

Artikel 1, vierde lid, van de AOW bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Aangezien niet is gesteld of gebleken dat de feitelijke situatie in de hier aan de orde zijnde periode anders was dan vóór 2 januari 1998, is met hetgeen hiervoor onder a. is overwogen tevens gegeven dat appellanten ook toen hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, terwijl voorts aan het zorgcriterium als omschreven in artikel 1, vierde lid, van de AOW is voldaan.

Ook ten aanzien van dit tijdvak is de Raad derhalve van oordeel dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.



Herziening

Artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a en b, (tekst tot 24 december 1999) van de AOW bepaalt - voorzover in deze gedingen van belang - dat een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen wordt herzien:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;
b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Gedaagde heeft de besluiten tot herziening van het ouderdomspensioen van appellanten gebaseerd op artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW.

De Raad acht dit juist aangezien veeleer moet worden gezegd dat appellanten de inlichtingenverplichting van artikel 49 van de AOW niet zijn nagekomen dan dat zij de controlevoorschriften bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de AOW niet (behoorlijk) zijn nagekomen.

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het bestaan van een gezamenlijke huishouding van appellanten is overwogen, volgt dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat aan appellanten vanaf - in elk geval - mei 1997 tot een te hoog bedrag pensioen is toegekend respectievelijk verleend zodat de herziening van het pensioen met ingang van die datum dient in te gaan.

De Raad ziet voorts met de rechtbank en gedaagde geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien. De Raad is met gedaagde van oordeel dat appellanten op 3 februari 1997 de vragen op de vragenlijst gedeeltelijk - met name de vragen 3, 35, 36, 39, 41 en 46 - niet juist hebben beantwoord.

Gelet op het vorenoverwogene zal de Raad de aangevallen uitspraak en de bestreden besluiten vernietigen voorzover deze betrekking hebben op de herziening van de ouderdomspensioenen over de periode van mei 1997 tot 2 januari 1998 maar de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van de bestreden besluiten in stand laten.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- wegens verleende rechtsbijstand en op € 66,-- aan reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij de herzieningsbesluiten met betrekking tot de periode van mei 1997 tot 2 januari 1998 in stand zijn gelaten;
Verklaart de beroepen in zoverre gegrond en vernietigt de bestreden besluiten in zoverre;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van de herzieningsbesluiten geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag groot € 1.354,--, te betalen door gedaagde aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde aan appellanten het betaalde griffierecht van in totaal € 222,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Pijper.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x