Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AP4556
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is er sprake van hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2545 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Arnhem op 14 maart 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/1195 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 2004, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Van de Wetering, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellante is met ingang van 1 augustus 1990 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een ongehuwde toegekend.
Sedert 3 januari 1987 staat appellante bij de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats].
Van 10 augustus 1994 tot 27 februari 1995 heeft (thans: wijlen) [betrokkene] in de GBA eveneens ingeschreven gestaan op het adres [adres] te [woonplaats]. Met ingang van laatstgenoemde datum heeft [betrokkene] zich laten inschrijven op het adres [adres 2] te [woonplaats 2], gemeente Apeldoorn. Op dit adres is de camping "[naam camping]" gevestigd.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante zou samenwonen met [betrokkene], heeft gedaagde een onderzoek ingesteld. Op grond van de onderzoeksbevindingen, die zijn neergelegd in een rapport van 22 november 1999, heeft gedaagde bij besluit van 28 december 1999 het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 september 1994 herzien en nader vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluit van 24 mei 2000 heeft gedaagde het namens appellante tegen het besluit van 28 december 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante is van dit besluit op bezwaar in beroep gekomen.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 24 mei 2000 ongegrond verklaard.

Namens appellante is deze uitspraak bestreden. Zij betwist dat er in de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank heeft haar ten onrechte gehouden aan de door haar ten overstaan van sociaal rechercheurs afgelegde verklaring, aangezien zij niet heeft verklaard zoals is verwoord in het proces-verbaal en het resultaat van het verhoor onjuist is vanwege haar leeftijd, haar lichamelijke toestand en vanwege het feit dat het verhoor onverwacht en langdurig was. Bovendien heeft zij geen kennis genomen van de op schrift gestelde tekst van haar verklaring.

De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellante vanaf 1 september 1994 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [betrokkene] en of op grond daarvan gedaagde terecht het pensioen van appellante heeft herzien.

Waar het hier een herziening met terugwerkende kracht betreft, dient deze vraag beantwoord te worden aan de hand van de materiŽle bepalingen van de AOW zoals die in de betreffende periode hebben gegolden. In dat verband is van belang dat de omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding in de AOW met ingang van 2 januari 1998 is gewijzigd.

Blijkens de in het bestreden besluit weergegeven wettelijke bepalingen heeft gedaagde de herziening van het recht op pensioen uitsluitend gebaseerd op artikel 1 van de AOW, zoals dit artikel luidde vanaf 2 januari 1998. Dit heeft tot gevolg dat het besluit van 24 mei 2000, voorzover dit ziet op de herziening over de periode van 1 september 1994 tot en met 2 januari 1998, wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt.

Ten aanzien van de twee aldus te onderscheiden perioden overweegt de Raad het volgende.



a. Met betrekking tot de periode van 1 september 1994 tot 2 januari 1998

Ingevolge artikel 1, vierde lid (oud) respectievelijk vijfde lid (oud), van de AOW kan van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde respectievelijk vierde lid, slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden welke tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van het gezamenlijk voorzien in huisvesting. Aan dit criterium kan ook zijn voldaan indien ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat door beiden slechts een van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.

De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat aan het huisvestingscriterium is voldaan. De Raad baseert zich daarbij op de verklaringen van appellante en van [betrokkene]. Appellante heeft aanvankelijk verklaard dat zij alleen woonde, dat [betrokkene] slechts een postadres bij haar had en dat hij sinds 27 februari 1995 gedurende het hele jaar woonachtig was op de camping te [woonplaats 2]. Na confrontatie met verklaringen van de betrokken campingbeheerder heeft zij echter verklaard dat zij gemiddeld minstens vijf dagen per week samen door het leven ging met [betrokkene] en dat zij sinds minimaal vier jaar meestal met [betrokkene] samen verbleef op haar adres aan de [adres] te [woonplaats] of in de door haar aan [betrokkene] verkochte caravan op de camping aan de [adres 2] in [woonplaats 2]. Ook [betrokkene] heeft - uiteindelijk - verklaard dat zij gedurende gemiddeld vijf dagen per week samen waren, hetzij in [woonplaats] hetzij in [woonplaats 2] en dat dit vanaf ongeveer maart 1994 het geval was. Dat [betrokkene] vanwege zijn wens om vrijheid te behouden over een eigen caravan beschikte en dat hij regelmatig familie en kinderen bezocht doet niet af aan het feitelijke gegeven dat appellante en [betrokkene] gemiddeld vijf dagen per week gezamenlijk gebruik maakten van de woning te Heukelem en de caravan te [woonplaats 2].

De grief van appellante dat de rechtbank ten onrechte waarde heeft gehecht aan de door haar ten overstaan van sociaal rechercheurs afgelegde verklaring faalt. Naar vaste jurisprudentie van de Raad mag in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde verklaring. In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot het maken van een uitzondering op het algemene uitgangspunt nopen. Niet is gebleken dat de leeftijd van appellante of medische beperkingen in de weg stonden aan het afleggen van een verklaring of dat de verklaring van appellante onder ontoelaatbare druk is afgelegd. Ook de lange duur van het verhoor en het feit dat dit onverwachts plaatsvond merkt de Raad niet aan als bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. In het enkele malen voorkomen van technische begrippen zoals "gezamenlijke huishouding" in het proces-verbaal van verhoor ziet de Raad, mede gelet op de - uitgebreide - overige inhoud van de in het proces-verbaal opgenomen verklaring, onvoldoende aanknopingspunten om de juistheid van de rapportage van de sociaal rechercheurs in twijfel te trekken. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat die verklaring spoort met en ondersteuning vindt in de overige verklaringen en onderzoeksgegevens, met name in de niet betwiste en wel ondertekende verklaring van [betrokkene]. Dat appellante heeft geweigerd kennis te nemen van de uiteindelijke weerslag van het verhoor en geweigerd heeft te tekenen omdat zij "helemaal leeg was" en naar huis wilde, komt voor haar rekening en risico en kan aan het voorgaande niet afdoen.

Het tweede criterium betreft het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Dit kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling die verdergaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiŽle verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Op grond van de uit de rapportage van 22 november 1999 blijkende feiten en omstandigheden is de Raad van oordeel dat ten tijde in geding bij appellante en [betrokkene] sprake was van wederzijdse zorg. Uit die rapportage blijkt dat zij ten tijde in geding bij ziekte voor elkaar zorgden, dat appellante kookte en de huishouding deed, dat [betrokkene] de kosten van de huishouding in [woonplaats 2] voor zijn rekening nam en dat appellante de aan de huishouding in [woonplaats] gerelateerde kosten betaalde, dat appellante door [betrokkene] werd vervoerd naar de fysiotherapeut en naar haar familie en dat appellante de administratie voor [betrokkene] verzorgde.

Daarmee staat voor de Raad vast dat appellante en [betrokkene] over de periode van 1 september 1994 tot 2 januari 1998 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 1, vierde lid (oud) respectievelijk vijfde lid (oud), van de AOW.



b. Met betrekking tot de periode vanaf 2 januari 1998

Artikel 1, vierde lid (tekst vanaf 2 januari 1998), van de AOW bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Aangezien niet is gebleken dat de feitelijke situatie in de hier aan de orde zijnde periode anders was dan in de periode vůůr 2 januari 1998, is met hetgeen hiervoor onder a. is overwogen tevens gegeven dat appellante en [betrokkene] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, terwijl in die periode evenzeer is voldaan aan het zorgcriterium als omschreven in artikel 1, vierde lid, van de AOW.

Ook ten aanzien van dit tijdvak moet derhalve worden aangenomen dat appellante en [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voerden, en wel als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.



Herziening

Artikel 17, eerste lid, van de AOW bepaalt - voorzover in dit geding van belang - dat het ouderdomspensioen door gedaagde wordt herzien, wanneer degene aan wie het is toegekend ingevolge het bij of krachtens de AOW bepaalde daarvoor niet of niet meer, dan wel voor een lager pensioen in aanmerking komt. In artikel 17, derde lid, AOW is onder meer bepaald dat het ouderdomspensioen, indien het ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, wordt ingetrokken onderscheidenlijk herzien met ingang van de dag waarop het is ingegaan.

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het bestaan van de gezamenlijke huishouding van appellante en [betrokkene] is overwogen volgt dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat het ouderdomspensioen vanaf 1 september 1994 tot een te hoog bedrag was vastgesteld, zodat gedaagde gehouden was vanaf die datum tot herziening van het ouderdomspensioen van appellante over te gaan.

De Raad ziet voorts in de omstandigheden van appellante geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

Gelet op het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit van 24 mei 2000 in stand te laten.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op ? 644,-- in beroep en op ? 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 24 mei 2000 voorzover betrekking hebbend op de periode van 1 september 1994 tot 2 januari 1998;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 24 mei 2000 in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van Ä 1.288,-- , te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal Ä 142,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2004.

(get.) Th.C. van Sloten

(get.) I.D. Veldman




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Ouderdomswet kan ieder van partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x