Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AP4598
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van het AOW-pensioen in verband met duurzaam gescheiden leven. Is de ingangsdatum van de herziening juist vastgesteld? Zorgvuldigheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3434 AOW en 03/3435 AOW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellanten heeft mr. F. Mekke, advocaat te Amsterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen twee uitspraken van de rechtbank Breda van 3 juni 2003, nrs. 02/2140 AOW en 02/2141 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Aanvankelijk heeft mr. Mekke de Raad tevens verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), doch bij brief van 4 maart 2004 heeft hij dit verzoek ingetrokken.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 april 2004 heeft de gemachtigde van appellanten de gronden van de hogere beroepen nader aangevuld.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 29 april 2004, waar appellante, door de Raad opgeroepen, in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Mekke als haar raadsman, en waar gedaagde, eveneens opgeroepen, zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren 21 maart 1918, ontvangt sinds maart 1983 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Aan appellante, geboren 12 februari 1933, is bij besluit van 24 december 1997 een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend met ingang van februari 1998.

In verband met zijn slechte gezondheidstoestand is appellant in 1999 opgenomen in het Sint Franciscusziekenhuis en nadien in verzorgingstehuis De Eglantier te Roosendaal. Op 10 april 2000 heeft appellante telefonisch aan gedaagde doorgegeven dat haar echtgenoot in dit verzorgingstehuis was opgenomen. Bij brief van 25 januari 2002, ontvangen op 28 januari 2002, is gedaagde namens appellanten verzocht het AOW-pensioen van appellanten te herzien, aangezien zij sedert 23 april 1999 duurzaam gescheiden van elkaar wonen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft gedaagdes buitendienstmedewerker J. van Brenk op 14 februari 2002 appellanten ieder afzonderlijk bezocht teneinde zich op de hoogte te stellen van hun feitelijke leefsituatie.

Bij besluiten van 14 maart 2002 heeft gedaagde appellanten met ingang van januari 2001 elk een AOW-pensioen voor een alleenstaande toegekend ten bedrage van € 831,36 bruto per maand en € 41,62 vakantiegeld bruto per maand. Daarbij is voorts een nabetaling van € 3.586,38 in het vooruitzicht gesteld in verband met het feit dat appellanten over de periode van januari 2001 tot en met februari 2002 te weinig AOW-pensioen hebben ontvangen.

In twee bezwaarschriften van 22 april 2002 heeft de toenmalige gemachtigde van appellanten aangevoerd dat appellanten met ingang van een eerdere datum recht hebben op een AOW-pensioen voor een alleenstaande, aangezien appellant in april 1999 in een verpleeginrichting is opgenomen en diens verhuizing tijdig bij gedaagde gemeld is. Tijdens de hoorzitting op 9 juli 2002 heeft appellante verklaard dat een medewerker van gedaagde in het telefoongesprek, waarin zij de verhuizing van haar echtgenoot doorgaf, haar zou hebben geadviseerd om te gaan scheiden.

Bij twee besluiten op bezwaar van 9 oktober 2002 (hierna: de bestreden besluiten) heeft gedaagde de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 14 maart 2002 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het schriftelijk verzoek van 25 januari 2002, ontvangen op 28 januari 2002, aangemerkt is als een verzoek tot herziening van het AOW-pensioen en dat niet gesteld kan worden dat eerder dan 28 januari 2002 een verzoek is ingediend inzake herziening van het AOW-pensioen in verband met duurzaam gescheiden leven. Gedaagde heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval, zodat niet kan worden voldaan aan het verzoek van appellanten om hun pensioen met langer dan een jaar terugwerkende kracht te herzien.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard, overwegende dat gedaagde terecht de telefonische mededeling van 10 april 2000 door appellante inzake het verblijfadres van haar echtgenoot niet heeft aangemerkt als een aanvraag tot herziening van het AOW-pensioen van appellanten, aangezien uit de schriftelijke weergave door gedaagde van dit telefoongesprek geen enkel aanknopingspunt kan worden gehaald dat het zou gaan om een aanvraag om herziening. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde terecht heeft bepaald dat - uitgaande van de op 28 januari 2002 ontvangen aanvraag om herziening - geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW, op grond waarvan het AOW-pensioen met ingang van een eerdere datum zou kunnen worden herzien dan per januari 2001.

In hoger beroep hebben appellanten het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellanten stellen zich - onder meer - op het standpunt dat gedaagde ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te verrichten naar hetgeen in het telefoongesprek van 10 april 2000 tussen appellante en een medewerker van gedaagde precies is besproken, hetgeen in strijd is te achten met artikel 3:2 van de Awb. Voorts zijn appellanten van mening dat gedaagde in strijd met artikel 3:4 van de Awb bij de besluitvorming hun belangen onvoldoende heeft meegewogen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde verder betoogd dat gedaagde ten opzichte van appellanten een onvoldoende actieve opstelling en cliëntgerichte houding heeft ingenomen.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 14 van de AOW luidt:
"1. Het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen wordt op aanvraag toegekend door de Sociale verzekeringsbank.
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is de Sociale verzekeringsbank bevoegd het ouderdomspensioen of een verhoging van het ouderdomspensioen ambtshalve toe te kennen."

Blijkens een zich in het dossier van appellante bevindend, door een medewerker van gedaagde opgemaakt, telefoonrapport heeft appellante op 10 april 2000 aan gedaagde doorgegeven dat haar echtgenoot ingaande die datum verbleef op het adres [adres]. Het betreft hier een wijziging in de persoonlijke omstandigheden die een verzekerde verplicht is aan gedaagde door te geven omdat deze het recht op AOW-pensioen, toeslag en/of ziekenfondsverzekering kan beïnvloeden. Naar van de zijde van appellanten is verklaard, heeft gedaagde aan deze telefonische melding gevolg gegeven door voortaan het pensioen van appellant naar diens nieuwe adres over te maken.

Onder die omstandigheden had het naar het oordeel van de Raad in de rede gelegen dat gedaagde de telefonisch doorgegeven adreswijziging van appellant mede had opgevat als een signaal, dat aanleiding had moeten zijn om te onderzoeken of zich op dat moment reeds bij appellanten de situatie van duurzaam gescheiden leven, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW, voordeed en in het bevestigende geval, zo appellanten dat wensten, het AOW-pensioen van appellanten voor beiden te herzien naar het pensioen voor een alleenstaande. Dienaangaande merkt de Raad op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting op dat appellant, die reeds op 24 november 1999 in het ziekenhuis was opgenomen, na zijn plaatsing in verzorgingstehuis De Eglantier in maart of april 2000 om medische redenen niet meer in staat werd geacht de samenwoning met zijn echtgenote op een later tijdstip te hervatten. De Raad verwijst in dat verband naar zijn uitspraken van 6 december 1989, gepubliceerd in AB 1990, 277 en van 21 november 1990, gepubliceerd in RSV 1991/261.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat gedaagde ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de AOW. De bestreden besluiten zijn derhalve niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en dienen, evenals de aangevallen uitspraken, waarbij die besluiten in stand zijn gelaten, te worden vernietigd. Gedaagde zal met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene nieuwe beslissingen op bezwaar dienen te nemen.

Namens appellanten is verzocht om gedaagde op de voet van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door appellanten geleden schade. Gedaagde zal bij het nemen van de nieuwe beslissingen op bezwaar tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen aanwezig zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor appellant begroot op € 322- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voor appellante worden de kosten eveneens begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, alsmede op € 26,30 voor reiskosten wegens het verschijnen ter zitting, totaal derhalve € 670,30.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de inleidende beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;
Bepaalt dat gedaagde nieuwe beslissingen op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ad € 644,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank, waarvan € 322,- aan de griffier van de Raad, en in de proceskosten van appellante ad € 670,30, te betalen door de Sociale verzekeringsbank, waarvan € 322,- aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellant en appellante in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 116,- per persoon vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x