Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AQ1027
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Einde van het AOW-pensioen in geval van overlijden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3306 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellanten], wonende te [woonplaats], appellanten,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellanten heeft W.N.M. van de Ven, wonende te ’s-Gravenhage, op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 juni 2002, nummer AWB 01/1342 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief, door de Raad ontvangen op 4 mei 2004, zijn de gronden van het hoger beroep nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 mei 2004, waar appellanten - zoals tevoren was bericht - niet zijn verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


[Betrokkene] (hierna: betrokkene) ontving een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op 11 juli 1997 is zij overleden.

Bij besluit van 18 februari 2000 heeft gedaagde appellanten medegedeeld dat betrokkene recht had op het ouderdomspensioen tot en met de datum van haar overlijden. In een begeleidend schrijven van dezelfde datum zijn appellanten erover geïnformeerd dat het over het resterende deel van de maand juli 1997 ten onrechte betaalde pensioen dient te worden terugbetaald. Bij het bestreden besluit van 9 maart 2001 heeft gedaagde zijn besluit van 18 februari 2000 na bezwaar gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen.
“Verweerder heeft het bestreden besluit gegrond op het standpunt dat het recht op AOW eindigt op de dag van overlijden van de gerechtigde. Verweerder beroept zich hiervoor op de ontstaansgeschiedenis en strekking van artikel 18 van de AOW. Ingevolge dit artikel wordt aan de aldaar opgesomde groep van nabestaanden van de AOW-gerechtigde een overlijdensuitkering toegekend, ingaande de dag na het overlijden. Uit dit artikel in samenhang met de overige bepalingen van de AOW en de ontstaansgeschiedenis van het artikel moet volgens verweerder worden afgeleid dat het recht van de verzekerde loopt tot en met de dag van overlijden.

In beroep hebben eisers aangevoerd dat, wanneer voor de nabestaanden geen recht bestaat op een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 18 van de AOW, op billijkheidsgronden het recht op AOW-pensioen doorloopt tot het einde van de maand. Dit zou het geval moeten zijn, omdat ook de nabestaanden die geen recht op een dergelijke overlijdensuitkering hebben, zoals eisers, gehouden zijn de financiële verplichtingen van de overledene over te nemen. Deze verplichtingen lopen veelal door tot het einde van de maand.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerders standpunt en de daarvoor gegeven motivering dat het recht op AOW-pensioen eindigt op de dag van overlijden van de gerechtigde, juist. In het beroepschrift wordt dit ook erkend. Anders dan eisers wensen, biedt de AOW geen ruimte om buiten de in artikel 18 van de AOW geregelde gevallen na overlijden nog AOW-pensioen of overlijdensuitkering toe te kennen. Het beroep is dan ook ongegrond.”

Appellanten hebben in hoger beroep het volgende naar voren gebracht.
- “Elke burger in Nederland wordt geacht de wet te kennen.
- Anderzijds mag van de wetgever worden verwacht dat haar wetten duidelijk zijn.
- De AOW is dat echter niet als het gaat om de vraag wanneer het recht op pensioen eindigt in gevallen wanneer er geen rechthebbenden op een overlijdensuitkering (als bedoeld in art. 18) zijn.
- Gegeven deze onduidelijkheid in de AOW ligt het in de rede juist dan de algemeen gangbare maandsystematiek van de AOW toe te passen, d.w.z. wijzigingen in het recht hebben pas gevolgen in de maand nadat de mutatie heeft plaatsgevonden.
- De AOW is bovendien onbillijk door geen andere gerechtigden op een financiële tegemoetkoming, dan die als bedoeld in artikel 18, te erkennen.
- Immers de erfgenamen, die conform artikel 18 niet gerechtigd zijn op een overlijdensuitkering, zijn wél gehouden de rechten én verplichtingen van de overledene over te nemen. In deze context is het niet juist het recht op pensioen per de overlijdensdatum te beëindigen, terwijl de (financiële) verplichtingen van de overledene volgens algemeen, maatschappelijk aanvaarde normen nog een periode doorlopen.”

De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank. Hij overweegt daartoe het volgende.

Appellanten hebben met recht gesteld dat in de AOW niet uitdrukkelijk is neergelegd op welke moment het ouderdomspensioen eindigt in geval van overlijden van de rechthebbende. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de systematiek van de AOW en de wetsgeschiedenis voortvloeit dat er op de dag na het overlijden van de betrokkene geen recht meer bestaat op ouderdomspensioen.

De Raad wijst er in dit verband in de eerste plaats op dat in artikel 7 van de AOW is neergelegd dat recht heeft op ouderdomspensioen degene die aan de in dat artikel genoemde voorwaarden voldoet. Hieruit kan worden afgeleid dat vanaf het moment dat degene die aan die voorwaarden voldeed, wegvalt, het recht op ouderdomspensioen niet meer kan bestaan. Dit is een andere situatie dan waarin is voorzien in artikel 17 van de AOW, welke artikel – voorzover hier van belang – bepaalt dat het ouderdomspensioen door gedaagde wordt ingetrokken indien degene aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens de AOW bepaalde daarvoor niet meer in aanmerking komt, welke intrekking ingaat per de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zich de wijziging van omstandigheden voordeed. In dat geval gaat het immers om een bestaande uitkeringsgerechtigde die de uitkering nog korte tijd blijft ontvangen, terwijl betrokkene niet langer aan de uitkeringsvoorwaarden voldoet.

Voor het standpunt dat het ouderdomspensioen eindigt met ingang van de dag na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde vindt de Raad - evenals gedaagde en de rechtbank - voorts steun in artikel 18 van de AOW, waarin is bepaald dat, indien daarvoor rechthebbenden zijn aan te wijzen, het ouderdomspensioen in de vorm van een overlijdensuitkering wordt uitbetaald met ingang van de dag na het overlijden. Blijkens de Memorie van toelichting bij het voorstel van wijziging van dit artikel (TK 1994-1995, 24 258, nr. 3, onder 2.3.1) is de wetgever er daarbij van uitgegaan dat het ouderdomspensioen eindigt met ingang van de dag na het overlijden van de rechthebbende. De Raad vermag niet in te zien dat de einddatum van het ouderdomspensioen anders zou liggen indien - zoals in casu - geen rechthebbenden op een overlijdensuitkering zijn aan te wijzen.

Voorzover appellanten hebben beoogd te stellen dat de bepalingen van de AOW als onbillijk terzijde zouden moeten worden gelaten, merkt de Raad op dat het hem op grond van het bepaalde in artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet is toegestaan de billijkheid van de wet als zodanig te beoordelen.

Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x