Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AQ6264
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een gezamenlijke huishouding of van duurzaam gescheiden leven? Zijn betrokkenen per de datum waarop zij een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als ongehuwd aan te merken omdat zij duurzaam gescheiden leven in de zin van de artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/338 AOW en 04/340 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,

en

[gedaagde 1], wonende te [woonplaats 1], en [gedaagde 2], wonende te [woonplaats 2], gedaagden.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale Verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent appellant de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 3 december 2003, reg.nrs. 02/4325 AOW en 03/1443 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Mr. N. van ít Hoogerhuijs, advocaat te Amsterdam, heeft namens gedaagden een verweerschrift ingediend en desgevraagd een stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2004, waar voor appellant is verschenen drs. A. Slovacek, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar gedaagde [gedaagde 2] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van ít Hoogerhuijs, en gedaagde [gedaagde 1] zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van ít Hoogerhuijs.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft gedaagde [gedaagde 1] (hierna: [gedaagde 1]) met ingang van oktober 1999 en gedaagde [gedaagde 2] (hierna: [gedaagde 2]) met ingang van juni 2001 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend voor een ongehuwde.

Ingaande 7 november 2001 zijn gedaagden een geregistreerd partnerschap aangegaan. Nadat gedaagden hem daarvan mededeling hadden gedaan, heeft appellant bij besluit van 24 november 2001 het AOW-pensioen van [gedaagde 1] met ingang van december 2001 herzien naar dat voor een gehuwde. Bij besluit van 26 april 2002 heeft appellant ook het AOW-pensioen van [gedaagde 2] met ingang van december 2001 herzien naar dat voor een gehuwde.

Bij besluiten van 14 mei 2002 respectievelijk 16 oktober 2002 heeft appellant de door gedaagden tegen de besluiten van 24 november 2001 en 26 april 2002 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, de beroepen tegen de besluiten van 14 mei 2002 en 16 oktober 2002 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en appellant opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank leefden gedaagden op en na 7 november 2001 duurzaam gescheiden.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW worden als partner geregistreerden gelijkgesteld met gehuwden. Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwde mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of gedaagden per de datum waarop zij een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als ongehuwd zijn aan te merken omdat zij duurzaam gescheiden leven in de zin van de laatst vermelde bepaling.

Blijkens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of een hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door een hunner, als bestendig is bedoeld. Voorts heeft de Raad in zijn rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving - al dan niet op termijn - aan te gaan, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.

Anders dan de rechtbank is de Raad niet tot het oordeel kunnen komen dat in het geval van gedaagden uit de feiten en omstandigheden ondubbelzinnig blijkt dat zij duurzaam gescheiden leven.

Vast staat dat [gedaagde 1] in [woonplaats 1] en [gedaagde 2] in [woonplaats 2] woont.
Bij de beoordeling of betrokkenen al dan niet duurzaam gescheiden leven heeft dat gegeven evenwel aan betekenis ingeboet sinds artikel 83 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek, ingevolge welk artikel echtgenoten jegens elkaar tot samenwoning verplicht waren, is vervallen.
Voorts blijkt uit de stukken dat gedaagden al ruim 24 jaar een relatie hebben. Anders dan in het geding waarin de Raad op 15 april 2003, reg.nr. 00/3894 AOW, uitspraak heeft gewezen, zien gedaagden elkaar op regelmatige basis en zeer frequent. [gedaagde 2] gaat elke zaterdag naar [woonplaats 1], waar hij met [gedaagde 1] gaat eten. Daarnaast gaan gedaagden samen op vakantie, maken samen uitstapjes en onderhouden samen de contacten met wederzijdse familie, vrienden en kennissen.
Ook sluiten gedaagden samenleving op termijn niet uit. [gedaagde 2] heeft immers aangegeven dat gedaagden, indien een van beiden hulpbehoevend mocht worden, wel zullen gaan samenwonen. Dat wordt bevestigd door de staat van aanbrengsten bij de partnerschapsvoorwaarden. Een zodanige staat is immers overbodig indien gedaagden samenwoning en dus vermenging van goederen uitsluiten.
Tenslotte zijn gedaagden blijkens hun verklaringen het geregistreerde partnerschap aangegaan met het oog op de door [gedaagde 1] bij vooroverlijden van [gedaagde 2] te betalen successierechten. Zij valt als geregistreerd partner in een gunstiger belastingtarief en voor haar geldt als zodanig de maximale vermogensvrijstelling. Uit deze achterliggende gedachte voor het aangaan van het geregistreerde partnerschap blijkt van zorg van [gedaagde 2] voor [gedaagde 1], van wie kennelijk geen contraprestatie wordt verlangd.

Gelet op de voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagden ieder afzonderlijk hun eigen leven leiden als ware zij niet gehuwd en deze toestand als bestendig is bedoeld. Appellant heeft gedaagden terecht niet als duurzaam gescheiden levend aangemerkt, hetgeen betekent dat appellant terecht de ouderdomspensioenen van gedaagden met ingang van december 2001 heeft herzien naar die voor gehuwden.

De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen van gedaagden tegen de besluiten van 14 mei 2002 respectievelijk 16 oktober 2002 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2004.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) I.D. Veldman.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x