Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AQ8133
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-08-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering op de grond dat betrokkene in het jaar voorafgaande aan het verzoek niet verplicht verzekerd is geweest. Het bestreden besluit is op de juiste wijze bekendgemaakt.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4945 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Marokko), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 2003, nummer AWB 03/491 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 juni 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door A. van Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde is woonachtig in Marokko en ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. Bij brief van 14 november 2001 heeft gedaagde verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering. Bij besluit van 22 juli 2002 heeft appellant dit verzoek afgewezen onder overweging dat gedaagde in het jaar voorafgaande aan 14 november 2001 niet verplicht verzekerd is geweest.

Bij schrijven van 4 september 2002, door appellant ontvangen op 18 september 2002, heeft gedaagde een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 30 september 2002 en bij per aangetekende post verzonden brief van 29 november 2002 heeft appellant aan gedaagde gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding van het ingediende bezwaar. Op deze brieven heeft gedaagde niet gereageerd.

Bij beslissing op bezwaar van 7 januari 2003, het bestreden besluit, heeft appellant het tegen het besluit van 22 juli 2002 ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. Zij heeft daartoe in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiseres.
"Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. (...)
De voorgeschreven wijze van bekendmaking dient in gevallen als het onderhavige op grond van artikel 26 van het Administratief akkoord met Marokko (Trb. 1963/130, hierna: het Akkoord) plaats te vinden door de toezending van de beslissing alsmede een samenvatting daarvan in de moedertaal van de aanvrager, door de Caisse Nationale de SecuritÚ Sociale (CNSS). In voormeld artikel is tevens bepaald dat de beroepstermijnen eerst aanvangen op de datum waarop de aanvrager de samenvatting ontvangt.
Op grond van rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot artikel 3 van Vo 574/72 (CRvB 22 augustus 2001 nr. 99/3283 AAW/WAO) gaat de rechtbank ervan uit dat indien een besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, maar niettemin daadwerkelijk door de aanvrager is ontvangen, de termijn waarbinnen bezwaar moet worden gemaakt vanaf de datum van die ontvangst gaat lopen.
De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit niet is uitgereikt conform artikel 26 van het Akkoord. Nu eiseres echter bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag tot toekenning van een nabestaandenuitkering, moet naar het oordeel van de rechtbank als vaststaand worden aangenomen dat eiseres op enig moment het primaire besluit daadwerkelijk heeft ontvangen. Omdat verweerder geen gericht onderzoek heeft verricht naar de datum van ontvangst van de beslissing door eiseres blijft echter onduidelijk of zij al dan niet tijdig, dus binnen zes weken na de ontvangst van het primaire besluit, bezwaar heeft gemaakt. Wel heeft verweerder in het kader van de bezwaarprocedure bij brief van 30 september 2002 eiseres verzocht mede te delen waarom zij niet binnen 6 weken na de datum van dagtekening van het bestreden besluit bezwaar heeft gemaakt. Nu verweerder gelet op het hiervoor weergegeven wettelijke kader een onjuiste vraag heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om consequenties te verbinden aan het feit dat eiseres niet heeft gereageerd op genoemde brief en nadien gezonden herinnering.
Gelet op de door verweerder gestelde (en niet door middel van een aantekenbonnetje of anderszins bewezen) datum van verzending van het primaire besluit, en de datum waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen, acht de rechtbank het zeker niet uitgesloten dat eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt. Slechts een behoorlijk onderzoek van verweerder zal hieromtrent zekerheid kunnen verschaffen. Nu dat onderzoek achterwege is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid heeft voorbereid en aldus het gebod vervat in artikel 3:2 van de Awb heeft geschonden."

In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat artikel 26 van het Administratief Akkoord een specifieke regeling bevat voor aanvragen van pensioenen ingevolge de AOW en de Anw. In casu ging het om een besluit betreffende de deelname aan de vrijwillige verzekering, op welke situatie artikel 26 volgens appellant niet ziet.

De Raad kan zich niet verenigen met de hiervoor aangehaalde overwegingen van de rechtbank en overweegt daartoe het volgende.

Om in aanmerking te komen voor een AOW-pensioen moet de in Marokko wonende nagelaten betrekking van een werknemer ingevolge artikel 25 van het Administratief Akkoord een aanvraag indienen bij de CNSS. De CNSS gaat na of de aanvraag volledig is ingevuld en bevestigt de juistheid van de door de aanvrager gedane opgaven. Vervolgens zendt de CNSS de aanvraag aan de Sociale verzekeringsbank en geeft daarbij aan of de overledene op het tijdstip van zijn overlijden in Marokko verplicht verzekerd was.
Ingevolge artikel 26 van het Adminstratief Akkoord neemt de Sociale verzekeringsbank een beslissing op die aanvraag en wordt deze aan het Marokkaanse verbindingsorgaan, de CNSS, gezonden. Dit orgaan stelt de aanvrager ervan in kennis in zijn moedertaal door middel van een samenvatting waarbij de beslissing wordt gevoegd. De beroepstermijnen vangen eerst aan op de datum waarop de aanvrager de samenvatting ontvangt.
De Raad is - met appellant - van oordeel dat blijkens de tekst van de relevante artikelen van het Administratief Akkoord in verbinding met het vigerende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko (Trb. 1972, 34), voorzover dit in werking is getreden, artikel 26 van het Administratief Akkoord slechts ziet op aanvragen van pensioenen en niet op verzoeken om deel te nemen aan de vrijwillige verzekering. Hierbij heeft de Raad voorts in aanmerking genomen dat het vigerende verdrag niet voorziet in een regeling van de vrijwillige verzekering en dat vanuit de doelstelling van de onderhavige bepalingen in het Administratief Akkoord bezien, namelijk de co÷rdinatie tussen pensioenen uit de verschillende landen, de ratio ontbreekt om genoemde bepalingen ook voor verzoeken om deel te nemen aan de vrijwillige verzekering te laten gelden.

Op grond van het bovenstaande concludeert de Raad dat het besluit van 22 juli 2002 op de juiste wijze is bekendgemaakt. Overeenkomstig artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bezwaartermijn aangevangen op 23 juli 2002 en moet worden vastgesteld dat gedaagde niet tijdig bezwaar heeft ingesteld. De Raad is niet gebleken van omstandigheden die de overschrijding van de bezwaartermijn kunnen verontschuldigen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x