Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AR3431
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herhaalde aanvraag. De SVB is bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/844 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (AustraliŽ), appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank.
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2003, nr. AWB 02/4196 AOW, waarbij het door haar ingestelde beroep tegen gedaagdes besluit van 12 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 augustus 2004, waar appellante - met kennisgeving - niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

Bij besluit van 10 februari 1997 heeft gedaagde afwijzend beslist op een aanvraag van appellante om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 18 februari 2002 heeft appellante een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Zij heeft daarbij aangevoerd een zelfstandig recht op ouderdomspensioen te willen opbouwen. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Appellante had haar wens een eigen pensioen op te bouwen reeds in 1997 kunnen aanvoeren en behoren aan te voeren, daargelaten dat zij niet heeft bestreden dat zij in het jaar voorafgaand aan de eerste aanvraag niet verplicht verzekerd was en reeds daarom niet in aanmerking komt voor toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de AOW en de Anw.

Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 10 februari 1997. In hetgeen door appellante is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Gelet op het vorenstaande moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2004.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x