Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AR3438
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herhaalde aanvraag voor toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van AOW en Anw. De SVB is bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6000 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Australië), appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank.
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2003, nr. AWB 02/4197 AOW, waarbij het door hem ingestelde beroep tegen gedaagdes besluit van 12 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 augustus 2004, waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

Bij besluit van 26 juli 1996 heeft gedaagde afwijzend beslist op een aanvraag van appellant om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 18 februari 2002 heeft appellant een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij sinds 1982 een ABP-pensioen ontvangt en op internet heeft gelezen dat vrijwillige verzekering mogelijk is. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Appellant had de ontvangst van het pensioen reeds in 1996 kunnen aanvoeren en behoren aan te voeren, daargelaten dat de ontvangst ervan niet betekent dat vrijwillige verzekering op grond van de AOW en Anw mogelijk zou zijn. Deze wetten kennen een aanmeldingstermijn van één jaar en onbekendheid ermee maakt overschrijding niet verschoonbaar.

Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 26 juli 1996. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Gelet op het vorenstaande moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2004.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x