Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AS2231
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-12-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Proceskostenveroordeling in geval van tegemoetkoming aan de indiener van het (hoger)beroepschrift als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/6264 AOW en 02/6266 AOW




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, inzake de kosten van het geding tussen:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], wonende te [woonplaats], verzoekers,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. INLEIDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale Verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens verzoekers heeft mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 november 2002, reg.nrs. 02/1008 en 02/1009 AOW.

Bij brief van 2 augustus 2004 heeft mr. Hogervorst namens verzoekers het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 november 2004, waar verzoekers zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. Hogervorst en gedaagde - daartoe door de Raad opgeroepen - door mr. A.F.L.W. Metz, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat de gemachtigde van gedaagde ter zitting heeft erkend dat bij de besluiten van gedaagde van 25 februari 2003 aan verzoekers is tegemoet gekomen.

Gelet hierop acht de Raad termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, in samenhang met artikel 8:75 van de Awb, en gedaagde te veroordelen in de proceskosten die verzoekers in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op 644,-- in beroep (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en 644,-- in hoger beroep (hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting in het kader van de procedure met toepassing van artikel 8:75a van de Awb, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet).

Met betrekking tot dit laatste onderdeel van de proceskostenveroordeling overweegt de Raad, dat nu in artikel 8:73a, derde lid, van de Awb, in samenhang met artikel 8:75a, tweede lid, van de Awb, is bepaald dat de afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van de Awb van overeenkomstige toepassing zijn, onderdeel A1, onder 8, van de bijlage bij het Besluit Proceskosten bestuursrecht de grondslag biedt om - ook - het verschijnen ter zitting als bedoeld in artikel 8:56 van de Awb in het kader van de procedure met toepassing van artikel 8:75a van de Awb in de proceskostenveroordeling te betrekken.

Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat (de bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht geen grondslag biedt om het doen van het verzoek, bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, eveneens bij de proceskostenveroordeling te betrekken.

Volledigheidshalve merkt de Raad voorts nog op dat in het - zich hier niet voordoende - geval dat op een verzoek als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb uitspraak is gedaan met overeenkomstige toepassing van artikel 8:54 van de Awb en tegen die uitspraak verzet wordt gedaan, onderdeel A1, onder 9 en 10, van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht de grondslag biedt om het indienen van het verzetschrift en het verschijnen ter zitting als bedoeld in artikel 8:55, derde lid, van de Awb in het kader van de procedure met toepassing van artikel 8:75a van de Awb in de proceskostenveroordeling te betrekken.

Voorzover het verzoek tevens betrekking heeft op het door verzoekers betaalde griffierecht wijst de Raad erop dat gedaagde op grond van artikel 22, vijfde lid, eerste volzin, van de Beroepswet gehouden is het door verzoekers in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan hen te vergoeden. Een afzonderlijke rechterlijke beslissing is daarvoor niet nodig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van 1.288,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2004.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x