Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AT4561
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De jaren dat betrokkene werkzaam is geweest bij een NAVO-onderdeel en vrijgesteld was van premiebetaling dienen in aanmerking te worden genomen als verzekerde jaren. Gebruik van de hardheidsclausule.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5047 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 september 2003, nr. 03/135 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft gedaagde bij brief van 27 augustus 2004 enige vragen van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 maart 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant, die op 7 oktober 1936 is geboren, heeft in mei 2001 een aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend bij gedaagde. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij vanaf zijn 15e verjaardag in Nederland heeft gewoond en dat hij van 1 januari 1984 tot en met 30 april 1993 werkzaam is geweest bij Shape Technical Centre (hierna: Shape), een onderdeel van de NAVO, te ’s-Gravenhage. Blijkens een door appellant overgelegde verklaring van Shape was appellant tijdens dit dienstverband vrijgesteld van premiebetaling ingevolge de volksverzekeringen.

Bij besluit van 19 juli 2001 heeft gedaagde met ingang van 1 oktober 2001 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW aan appellant toegekend ter hoogte van 82% van het pensioen voor een gehuwde. Daarbij heeft gedaagde het tijdvak van 1 januari 1984 tot en met 30 april 1993, waarin appellant werkzaam is geweest bij Shape, aangemerkt als een niet verzekerde periode ingevolge de AOW.

In de bezwaarfase heeft appellant aangevoerd dat hij ervan uitgegaan is dat de vrijstelling van premiebetaling voor de volksverzekeringen niet zou leiden tot een korting op zijn AOW-pensioen. Tevens heeft appellant verzocht om toepassing van een hardheidsclausule. Uit een brief van NAVO Consultation, Command and Control Agency van 11 september 2002, blijkt dat appellant geen recht heeft op een ouderdomspensioen krachtens het “NAVO Pension Scheme”.

Bij beslissing op bezwaar van 11 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat de omstandigheid dat geen pensioenrechten zijn opgebouwd ingevolge het NAVO pensioenstelsel niet tot gevolg kan hebben dat in strijd met de dwingend wettelijke bepalingen van de AOW geen korting wordt toegepast over de periode waarin appellant werkzaam is geweest bij Shape. De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak onderschreven.

In hoger beroep heeft appellant verzocht de korting op zijn AOW-pensioen te verlagen, omdat hij vanaf zijn 14e jaar werkzaam is geweest. Voorts heeft gedaagde nadere informatie van Shape overgelegd, waaruit blijkt dat appellant tijdens zijn dienstverband bij Shape premies heeft betaald voor een ouderdomspensioen, maar dat hij geen aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen omdat hij niet gedurende de drempeltijd van 10 jaar verzekerd is geweest krachtens die verzekering. Daarom zijn de door appellant opgebouwde pensioenrechten bij het einde van het dienstverband aan appellant uitbetaald.

De Raad overweegt het volgende.

Voorop moet worden gesteld dat het ouderdomspensioen ingevolge de AOW gebaseerd is op een maximale verzekeringsduur van 50 jaar gedurende het tijdvak vanaf de 15e tot de 65e verjaardag van een betrokkene. Het feit dat appellant reeds vanaf zijn 14e levensjaar werkzaam is geweest kan derhalve niet leiden tot een langere verzekerde periode ingevolge de AOW, aangezien daarvoor slechts tijdvakken vanaf de 15e verjaardag van belang zijn. Daarbij wijst de Raad er nog op dat appellant door gedaagde slechts gedurende het tijdvak van 1 januari 1984 tot en met 30 april 1993 niet verzekerd wordt geacht.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder g, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 19 oktober 1976, Stb. 557 (hierna: KB 557) en artikel 13, eerste en tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, van 3 mei 1989, Stb. 164 (hierna: KB 164), is niet verzekerd ingevolge - onder meer - de AOW degene die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie en op wie de sociale-verzekeringsregeling (inzake onder meer ouderdom) van die organisatie van toepassing is. Voorts is blijkens de beschikkingen van 31 maart 1980, Stcrt. 131, en 21 augustus 1991, Stcrt. 167, de Noordatlantische Verdragsorganisatie aangewezen als een volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in respectievelijk KB 557 en KB 164.

Nu appellant gedurende het tijdvak van 1 januari 1984 tot en met 30 april 1993 werkzaam is geweest bij Shape, welke organisatie een onderdeel is van de NAVO, en appellant toen verzekerd was ingevolge het pensioenstelsel van de NAVO, heeft gedaagde terecht besloten dat appellant gedurende dat tijdvak niet verzekerd was op grond van de hiervoor genoemde artikelen uit achtereenvolgens KB 557 en KB 164. Uit de door appellant overgelegde gegevens blijkt ook dat door hem toen geen premies voor de volksverzekeringen werden betaald, omdat hij op grond van voornoemde bepalingen was vrijgesteld van de verplichte verzekering in Nederland. Het feit dat aan appellant geen ouderdomspensioen is toegekend krachtens het NAVO pensioenstelsel, omdat hij niet gedurende tenminste 10 jaren verzekerd is geweest, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen, aangezien appellant toen onmiskenbaar verzekerd was ingevolge dat pensioenstelsel. Daarbij wijst de Raad erop dat aan appellant de door hem betaalde premies zijn gerestitueerd.

Voorts stelt de Raad vast dat appellant reeds tijdens de bezwaarprocedure heeft verzocht om toepassing van een hardheidsclausule. Dit verzoek kan slechts betrekking hebben op de niet-verzekerde periode vanaf 1 juli 1989, omdat eerst in het per die datum inwerking getreden KB 164, anders dan in KB 557, een hardheidsclausule is opgenomen in artikel 25. Gedaagde heeft omtrent dit verzoek geen kenbaar besluit genomen en heeft eerst in hoger beroep, naar aanleiding van een vraag van de Raad, een standpunt omtrent de eventuele toepassing van artikel 25 van KB 164 ingenomen. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 25 juli 2003 (RSV 03/237), vereist de zorgvuldige voorbereiding van een beslissing op bezwaar dat dit niet wordt genomen voordat op een correcte wijze een besluit is genomen over de toepassing van artikel 25 van KB 164. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Dit betekent dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, zodat dit besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. Het feit dat gedaagde in hoger beroep enige motivering heeft gegeven omtrent de eventuele toepassing van artikel 25 van KB 164 kan hieraan niet afdoen, nu gedaagde nog geen beslissing heeft genomen op het verzoek van appellant.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, aangezien niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het bestreden besluit en verklaart het inleidend beroep gegrond.
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellant betaalde griffierecht ad € 116,- aan hem dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 april 2005.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Gunter.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x