Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AT5213
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gezamenlijke huishouding met partner. Terugvordering van het te veel betaalde AOW-pensioen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3333 AOW en 04/6639 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2002, nr. AWB 01/4436 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 4 augustus 2004 heeft de Raad gedaagde een vraag voorgelegd. In antwoord op deze vraag heeft gedaagde bij schrijven van 19 november 2004 een beschikking op bezwaar van 17 november 2004 ingezonden.

Appellant heeft op 8 december 2004, 10 januari 2005 en 19 januari 2005 nadere stukken in het geding gebracht. Gedaagde heeft bij brief van 27 december 2004 nog een stuk aan de Raad doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde, na daartoe ambtshalve te zijn opgeroepen, zich heeft laten vertegenwoordigen door gemachtigde mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant is geboren op [geboortedatum] en heeft vanaf 1 augustus 1992 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangen ter hoogte van het maximale pensioen voor een ongehuwde.

Bij brief van 11 maart 1999 heeft appellant, onder verwijzing naar een bijgevoegd aangifteformulier verhuizing van dezelfde datum, gedaagde verzocht hem mede te delen of hij in aanmerking komt voor een toeslag op zijn AOW-pensioen in verband met het feit dat hij sinds 30 juni 1995 samenwoont met mevrouw [naam partner].

Nadat appellant desgevraagd stukken had ingezonden, waaronder een samenlevingscontract gedateerd 25 maart 1999, heeft gedaagde appellant bij brief van 10 november 1999 meegedeeld dat hem voorlopig met ingang van november 1999 het AOW-pensioen (zonder toeslag) voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont wordt betaald en dat onderzocht wordt of hij met terugwerkende kracht recht heeft op een gehuwdenpensioen. Daarbij heeft gedaagde appellant erop gewezen dat hij er rekening mee dient te houden dat, indien uit het onderzoek mocht blijken dat hem te veel AOW-pensioen is betaald, dit van hem zal worden teruggevorderd.

Bij besluit van 7 april 2000 heeft gedaagde het aan appellant toegekende AOW-pensioen met ingang van juli 1995 herzien naar het maximale pensioen voor een gehuwde of voor een ongehuwde die samenwoont. Bij besluit van eveneens 7 april 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een toeslag op zijn pensioen toe te kennen, op de grond dat de hoogte van het inkomen van zijn partner zodanig is dat hij geen recht heeft op een toeslag. Voorts is appellant door gedaagde bij brief van 7 april 2000 in kennis gesteld van het voornemen het aan hem te veel betaalde AOW-pensioen ten bedrage van f 26.443,36 van hem terug te vorderen en is hem een betalingsvoorstel gedaan.

Bij besluit van 18 mei 2001 heeft gedaagde een bedrag van f 26.443,36 van appellant teruggevorderd. Verzocht is deze vordering in n keer binnen een jaar terug te betalen.

Bij beschikking op bezwaar van 9 november 2001 (besluit 1) heeft gedaagde appellants bezwaren tegen beide besluiten van 7 april 2000 en tegen het besluit van 18 mei 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak ten aanzien van de herzieningsbeslissing geoordeeld dat gedaagde er terecht van is uitgegaan dat appellant sedert juni 1995 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn partner. Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank echter overwogen dat gedaagde geen onderscheid heeft gemaakt tussen de periode van 1 juli 1995 tot 1 augustus 1996 (= datum inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, Stb. 1996, 248: hierna: de wet BMTI) en de periode van 1 augustus 1996 tot en met oktober 1999. Nu ingevolge artikel XVI, eerste lid, van de wet BMTI op de bevoegdheid van gedaagde tot terugvordering en verrekening van hetgeen vr 1 augustus 1996 onverschuldigd is betaald de terugvorderingsbepalingen, zoals die tot die datum luidden van toepassing zijn gebleven, heeft gedaagde de terugvordering over de periode van 1 juli 1995 tot 1 augustus 1996 ten onrechte gebaseerd op het bepaalde in artikel 24, eerste lid, van de AOW, zoals dit artikellid vanaf 1 augustus 1996 luidde. Op die grond heeft de rechtbank het beroep van appellant voorzover gericht tegen de terugvordering over de periode van 1 juli 1995 tot 1 augustus 1996 gegrond verklaard en besluit 1 in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft het gedeelte van besluit 1, waarbij het onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen van appellant is teruggevorderd over de periode van 1 augustus tot en met oktober 1999, in stand gelaten onder de overweging dat van de zijde van appellant niet is gesteld en evenmin is gebleken, dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de AOW.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft gedaagde met toepassing van artikel 24, tweede lid, onder b, van de AOW, zoals dat artikel luidde tot 1 augustus 1996 bij besluit van 3 juni 2002 het bezwaar van appellant, voorzover dat was gericht tegen de terugvordering over de periode van 1 juli 1995 tot 1 augustus 1996 opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 juli 2003, nr. AWB 02/3043 AOW, heeft de rechtbank overwogen dat de lange duur van de gevalsbehandeling - gelet op de geldende jurisprudentie - voor gedaagde aanleiding had moeten vormen om het bedrag van de terugvordering te matigen, om welke reden het besluit van 3 juni 2002 als in strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel is vernietigd.

Tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 juli 2003 heeft gedaagde aanvankelijk hoger beroep ingesteld, doch bij brief van 15 oktober 2003 heeft hij dit hoger beroep ingetrokken ten einde alsnog gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank. Daartoe heeft gedaagde het in rubriek I van deze uitspraak vermelde besluit van 17 november 2004 genomen. De Raad zal mede een oordeel geven over dit besluit (besluit 2). In hoger beroep heeft appellant opgemerkt het in strijd met de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid te achten, dat de rechtbank gedaagde in de aangevallen uitspraak de gelegenheid heeft gegeven een nieuw besluit te nemen met toepassing van het recht dat in de relevante periode vr 1 augustus 1996 van kracht was. Voorts heeft hij gesteld dat hij door het feit dat hij het door gedaagde op 29 maart 2002 aan de rechtbank toegestuurde verweerschrift pas op 9 april 2002 - derhalve slechts twee dagen voor de zitting - heeft ontvangen, zich niet optimaal op die zitting heeft kunnen voorbereiden. Wat betreft het punt van geschil zelf heeft hij aangegeven zich slechts verplicht te achten het vanaf 9 oktober 1998 te veel ontvangen AOW-pensioen aan gedaagde terug te betalen, omdat hij per die datum de huur van zijn vorige woning heeft opgezegd. Om die reden heeft hij de Raad verzocht de omvang van de terugvordering in die zin terug te brengen.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot appellants grieven van procedurele aard merkt de Raad op dat het mede tot de taken van de (bestuurs)rechter behoort er op toe te zien, dat bestuursorganen bij hun besluitvorming het op dat moment geldende recht hanteren. Indien dat in een geval als het onderhavige niet is gebeurd, kan de rechter ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen met toepassing van het juiste recht. Ten aanzien van het eerst op een laat tijdstip toegezonden verweerschrift stelt de Raad vast dat appellant er kennelijk in geslaagd is nog vr de zitting van 11 april 2002 een reactie op te stellen en die op 10 april 2002 aan de rechtbank toe te faxen. Naar het oordeel van de Raad kan daarom niet worden gezegd dat appellant in zijn processuele belangen is geschaad.

Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat gedaagde er terecht van is uitgegaan dat appellant sedert juni 1995 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn partner. De Raad onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak gewijde overwegingen volledig en voegt er nog aan toe dat ingevolge artikel 1, vijfde lid, onder c, van de AOW een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract. Weliswaar is het tussen appellant en zijn partner gesloten contract eerst op 25 maart 1999 door de notaris opgemaakt, doch de Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de daarin opgenomen verklaring van appellant en zijn partner, dat zij sinds 30 juni 1995 samenwonen en sedertdien een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.

Met betrekking tot de terugvordering van het te veel betaalde AOW-pensioen over de periode van juli 1995 tot 1 augustus 1996 stelt de Raad vast dat gedaagde bij de toekenning van het AOW-pensioen in 1992 appellant heeft gewezen op de verplichting de Sociale verzekeringsbank binnen 14 dagen schriftelijk te informeren indien hij duurzaam een gezamenlijke huishouding zou zijn gaan voeren met iemand, niet zijnde een bloedverwant in de eerste of tweede graad. Nu appellant deze wijziging in zijn omstandigheden eerst op 11 maart 1999 aan gedaagde heeft doorgegeven, was gedaagde op grond van artikel 24, tweede en derde lid, van de AOW, zoals dat artikel tot 1 augustus 1996 luidde, bevoegd hetgeen te veel aan ouderdomspensioen aan appellant was uitbetaald van hem terug te vorderen. Bij besluit 2 heeft gedaagde het bedrag van de terugvordering over de periode van 1 juli 1995 tot 1 augustus 1996 met een kwart gematigd. Naar het oordeel van de Raad kan het aldus gewijzigde besluit de te dezen aan te leggen rechterlijke toetsing doorstaan.

Gezien het vorenstaande dient het beroep, voorzover dat geacht kan worden te zijn gericht tegen besluit 2, ongegrond te worden verklaard.

Met betrekking tot de terugvordering van het te veel betaalde ouderdomspensioen vanaf 1 augustus 1996 stelt de Raad vast dat appellant ook in hoger beroep geen argumenten heeft aangedragen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat zich in dit geval een dringende reden voordoet die gedaagde ertoe had moeten nopen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het hoger beroep tegen het desbetreffende onderdeel van besluit 1 slaagt derhalve niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover in hoger beroep aangevochten;
Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 17 november 2004 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M. Gunter en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Gunter.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x