Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AU9006
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening ouderdomspensioen vanwege gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1724 AOW en 05/474 AOW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden, voorzover het de Sociale verzekeringsbank betreft. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 8 maart 2004, reg.nr. 03/1575 AOW en 19 januari 2005, reg.nr. 04/1417 AOW.

Gedaagde heeft in beide zaken verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 oktober 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

Gedaagde heeft appellante met ingang van 1 december 1992 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde pensioengerechtigde.

Na een melding dat appellante samenwoont met [partner] (hierna: [partner]) is door de sociale recherche van gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het aan appellante verleende ouderdomspensioen. In dat kader zijn onder meer inlichtingen ingewonnen bij Essent Energie en Waterleiding Maatschappij Limburg, zijn huisbezoeken afgelegd op de adressen [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats], is een buurtonderzoek ingesteld en zijn appellante en [partner] gehoord.

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft gedaagde bij besluit van
16 mei 2003 - voorzover hier van belang - het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 april 1996 herzien naar een AOW-pensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont op de grond dat appellante met [partner] sedert laatstgenoemde datum een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluit van 22 september 2003 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde het tegen het besluit van 16 mei 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Voorts heeft gedaagde bij besluit van 9 juli 2004 de hoogte van het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 juli 2004 nader vastgesteld op € 630,66 bruto per maand in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd van [partner] in die maand.

Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 18 augustus 2004 (hierna: besluit 2) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de tegen besluit 1 en 2 ingestelde beroepen bij de aangevallen uitspraken van 8 maart 2004 en 19 januari 2005 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen beide uitspraken van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de herziening van het ouderdomspensioen over de periode van 1 april 1996 tot 1 juli 2004 (04/1724 AOW)

De Raad staat in dit geding primair voor de beantwoording van de vraag of appellante en [partner] van 1 april 1996 tot 1 juli 2004 een gezamenlijke huishouding voerden. Deze kwestie dient te worden beoordeeld aan de hand van de materiële bepalingen van de AOW zoals die in de betreffende periode hebben gegolden. In dat verband is van belang dat de omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding in de AOW met ingang van 2 januari 1998 is gewijzigd.

Met betrekking tot de aldus te onderscheiden perioden overweegt de Raad het volgende.



Periode van 1 april 1996 tot 2 januari 1998

Ingevolge artikel 1, vierde lid (oud) respectievelijk vijfde lid (oud), van de AOW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat ten tijde in geding aan beide voornoemde criteria was voldaan, zodat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad onderschrijft dat oordeel en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hetgeen appellante op dat vlak in hoger beroep heeft aangevoerd bevat geen wezenlijk nieuwe argumenten ten opzichte van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht.

Ten aanzien van hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht omtrent de door haar verleende (mantel)zorg merkt de Raad nog op, dat de gestelde (mate van) hulpbehoevendheid aan de zijde van [partner] voor de toepassing van de AOW - anders dan in het kader van de Algemene nabestaandenwet - geen rol speelt en derhalve niet aan het aannemen van een gezamenlijke huishouding in de weg staat.

Gelet op het voorgaande heeft gedaagde zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante en [partner] tijdens de hier in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 1, vierde lid (oud) respectievelijk vijfde lid (oud), van de AOW.



Periode van 2 januari 1998 tot 1 juli 2004

Artikel 1, vierde lid (tekst vanaf 2 januari 1998), van de AOW bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Aangezien niet is gesteld of gebleken dat de feitelijke situatie in de hier aan de orde zijnde periode anders was dan tot 2 januari 1998, is met hetgeen hiervoor is overwogen gegeven dat appellante en [partner] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning aan de [adres 1] te [woonplaats], terwijl voorts aan het zorgcriterium als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW is voldaan. Ook ten aanzien van deze periode moet dan ook worden aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat appellante vanaf 1 april 1996 geen recht had op een ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde pensioengerechtigde, zodat gedaagde, gelet op het bepaalde in artikel 17, eerste en derde lid, van de AOW gehouden was om het ouderdomspensioen met ingang van die datum te herzien.

De Raad ziet in de omstandigheden van appellante geen grond voor het oordeel dat sprake was van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van de herziening af te zien.



Ten aanzien van de voortzetting van gehuwdenpensioen (05/474 AOW)

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 juli 2004, na het bereiken van de 65-jarige leeftijd van [partner], terecht en op goede gronden heeft voortgezet naar 50% van de gehuwdennorm.

Dat sprake zou zijn van een relevante wijziging in de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante is niet gesteld noch anderszins gebleken. De Raad merkt in dat verband nog op dat de enkele intentie van (een van) de partners om weer afzonderlijk te gaan wonen onvoldoende is om niet langer het bestaan van een gezamenlijke huishouding aan te nemen.



Slotoverwegingen

Uit het voorgaande vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gewezen door mr. C. van Viegen als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. W.I. Degeling als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2005.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x