Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AV1973
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De overschrijding van de bezwaartermijn wordt niet verschoonbaar geacht.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/4610 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Belgi), appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. I. Stolting, advocaat te Roosendaal, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2005, nr. 04/4599 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 januari 2006, waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




I. MOTIVERING


Bij besluit van 6 mei 2004 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat gedurende een bepaalde periode ten onrechte geen ziekenfondspremie is ingehouden op het aan hem toegekende ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) tot een bedrag van totaal 790,60. Daarbij is appellant erop gewezen dat hij binnen zes weken na de datum van het besluit daartegen bezwaar kan maken.

Bij brief van dezelfde datum heeft gedaagde medegedeeld van plan te zijn het teveel betaalde bedrag van 790,60 van appellant terug te gaan vorderen, waarbij is aangegeven dat het indienen van een bezwaarschrift tegen die brief niet mogelijk is. Tevens heeft gedaagde in deze brief een voorstel gedaan aan appellant over de wijze van verrekening van voornoemd bedrag, waarbij aan appellant tot uiterlijk 1 juli 2004 de gelegenheid is geboden te reageren op het voorstel.

Vervolgens heeft appellant in mei 2004 enkele keren telefonisch contact gehad met medewerkers van gedaagde, waarbij de mogelijkheid van het instellen van bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2004 aan de orde is geweest.

Bij faxbericht van 18 juni 2004 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2004. Naar aanleiding van een vraag van gedaagde waarom het bezwaarschrift niet binnen de daartoe gestelde termijn van zes weken was ingediend is door appellant telefonisch en door zijn gemachtigde schriftelijk medegedeeld dat hij het besluit op 10 mei 2004 heeft ontvangen en dat hij ervan uitging dat de bezwaartermijn aanving na ontvangst van het besluit.

Bij beslissing op bezwaar van 16 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingesteld en niet is gebleken van een excusabele reden waarom de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht.

In beroep is namens appellant aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat bij appellant verwarring is ontstaan doordat gedaagde op 6 mei 2004 twee brieven aan hem heeft verzonden. Tegen een van deze brieven stond geen bezwaar open en tegen de ander wel en verder werd in een van die brieven de gelegenheid gegeven om vr 1 juli 2004 te reageren. Appellant is er daarom vanuit gegaan dat hij tot 1 juli 2004 bezwaar kon indienen.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep is aangevoerd dat niet is gebleken dat het besluit van 6 mei 2004 op die datum is verzonden. Voorts zijn de in beroep aangevoerde gronden in hoger beroep herhaald.

De Raad overweegt het volgende.

Ten aanzien van de verzenddatum van het besluit van 6 mei 2004 stelt de Raad voorop dat gedaagde stelt dat het besluit op die dag is verzonden. De Raad ziet geen aanleiding deze stelling in twijfel te trekken, nu appellant het besluit enkele dagen nadien heeft ontvangen en de door hem gestelde datum van ontvangst op 10 mei 2004, mede gelet op zijn stelling dat post vanuit Nederland doorgaans vier dagen later aankomt, een verzending op 6 mei 2004 alleszins aannemelijk maakt.

Uitgaande van verzending van het besluit van 6 mei 2004 op die datum is tussen partijen niet in geschil dat het bezwaar niet is ingediend binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn van zes weken, zodat het geschil zich toespitst op de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de betrokkene in verzuim is geweest.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat een zodanige situatie in dit geval niet aan de orde is. Namens appellant is terecht opgemerkt dat de inhoud van het besluit van 6 mei 2004 niet duidelijk is en tot verwarring aanleiding kan geven, nu daarin kennelijk een zin ontbreekt en nu op dezelfde datum een brief over een voornemen tot terugvordering en verrekening van het in dat besluit bedoelde bedrag is verzonden met daarin een termijn waarbinnen appellant kon reageren op het voornemen van gedaagde. De Raad is echter van oordeel dat niet is gebleken, althans niet aannemelijk is geworden, dat deze onduidelijkheden ertoe hebben geleid dat appellant tegen het besluit van 6 mei 2004 niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Daarbij acht de Raad allereerst van belang dat in enkele telefonische contacten van appellant met medewerkers van gedaagde een toelichting is gegeven op beide schrifturen van 6 mei 2004, bij welke gelegenheid tevens is gewezen op de mogelijkheid van bezwaar. Voorts blijkt uit de door en namens appellant in bezwaar ingenomen stellingen dat hij dacht op 18 juni 2004 tijdig bezwaar te maken tegen het besluit van 6 mei 2004, zij het dat hij er daarbij ten onrechte van uitging dat de bezwaartermijn na 10 mei 2004 was aangevangen. Ten slotte is de Raad van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen en moeten zijn dat de in de brief van 6 mei 2004 genoemde termijn van 1 juli 2004, voor een reactie op het voornemen tot verrekening, een andere termijn was dan de bezwaartermijn van zes weken na 6 mei 2004 genoemd in het besluit van die datum.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) S. Sweep.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x