Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AV2651
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Korting op het AOW-pensioen wegens werkzaamheden in Duitsland. In hoger beroep kan niet inhoudelijk op de gronden worden ingegaan, aangezien hetgeen is aangevoerd samenhangt met reeds eerder ongegrond verklaarde grieven.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/5032 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale verzekeringsbank.

Namens appellant is mr. J.C. van den Doel, advocaat te Zierikzee, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 4 augustus 2004, reg.nr. 04/60, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 30 november 2005 nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. van den Doel, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.M.H. Geubbels, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 22 augustus 2001 is aan appellant medegedeeld dat zijn ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van 1 april 2001 definitief is vastgesteld op € 781,48 bruto per maand, zijnde 94% van het volledige pensioen voor een ongehuwde.

Dit besluit steunt op de overweging dat appellant gedurende verschillende tijdvakken in Duitsland werkzaamheden verrichtte als (onder meer) vertegenwoordiger, voor welke tijdvakken hij - grotendeels - ook verzekerd was als werknemer ingevolge de Duitse wetgeving. In verband met niet-verzekerde perioden heeft gedaagde een korting op het AOW-pensioen toegepast van 6%.

In bezwaar heeft appellant aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met de toegepaste korting op zijn pensioen. Hij heeft daartoe onder meer betoogd dat hij geen grensarbeider was, maar vertegenwoordiger met Duitsland als rayon. Naar zijn mening is hij voor die perioden (ook) in Nederland verzekerd geweest voor de AOW en is het besluit onvoldoende gemotiveerd.

Bij besluit van 15 januari 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 21 augustus 2003, nr. 03/73, het beroep van appellant gegrond verklaard voorzover betrekking hebbend op de periode 1 januari 1962 tot 6 januari 1962, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit neemt. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard voorzover dat ziet op de perioden 1 juli 1959 tot en met 31 december 1961, 1 februari 1969 tot en met 28 februari 1969, 22 januari 1973 tot en met 13 april 1973 en 12 februari 1979 tot en met 22 juni 1979.

In deze uitspraak heeft de rechtbank, voorzover hier van belang, het volgende overwogen, waarbij voor verweerder moet worden gelezen gedaagde en voor eiser appellant:

"Ingevolge artikel 13, 2e lid, onder a van de EEG-verordening nr. 1408/71 is op degene die op het grondgebied van een Lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont.

Gelet op deze laatste bepaling is van belang dat, zoals uit de stukken blijkt, eiser in een aantal perioden in Duitsland heeft gewerkt en op grond daarvan in ieder geval voor wat die perioden betreft verzekerd is geweest volgens de wetgeving van dat land en derhalve niet overeenkomstig de bepalingen van de AOW.
Het gaat onomstreden om de volgende perioden: van 1 juli 1959 tot en met 31 december 1961, van 1 februari 1969 tot en met 28 februari 1969, van 22 januari 1973 tot en met 13 april 1973 en van 12 februari 1979 tot en met 22 juni 1979. Of al dan niet sprake is geweest van het betaald zijn van dubbele pensioenpremies, is hierbij niet van belang en moet dan ook buiten beschouwing blijven.
In zoverre is het beroep ongegrond.

Verweerder heeft daarnaast de periode van 1 tot en met 6 januari 1962 aangemerkt als een periode waarin eiser niet verzekerd was overeenkomstig de AOW. Verweerder baseert die conclusie op het standpunt dat eiser in die periode geen ingezetene was van Nederland. In die conclusie kan de rechtbank verweerder niet volgen. Blijkens de stukken, te weten zowel het Duitse verzekeringsoverzicht waarop verweerder zijn besluit heeft gebaseerd als een getuigschrift over eisers dienstverband bij NV Aardappelmeel- en derivatenfabriek “Onder Ons” te De Krim, is eiser van 1 januari 1962 tot en met 28 februari 1963 voor die onderneming in Nederland werkzaam geweest.
De conclusie hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere zijn dan dat, gelet op de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen, eiser in die periode verzekerd was overeenkomstig de AOW. Of hij in die periode al dan niet in Nederland woonachtig was, doet daarbij niet terzake.
Verweerders conclusie dat eiser ook van 1 januari 1962 tot en met 6 januari 1962 niet volgens de AOW was verzekerd, is derhalve onjuist, zodat het beroep in zoverre gegrond is en het bestreden besluit voor dat gedeelte vernietigd dient te worden."

Beide partijen hebben berust in deze uitspraak van de rechtbank.

Bij het thans bestreden besluit van 17 december 2003 heeft gedaagde, rekening houdend met voornoemde uitspraak van de rechtbank, de door appellant tegen het besluit van 22 augustus 2001 aangevoerde bezwaren (wederom) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de grieven van appellant, onderscheidenlijk inhoudende dat hij als verzekerd ingevolge de AOW dient te worden beschouwd en dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, van de hand gewezen op de grond dat appellant - onbetwist - in de perioden van 1 juli 1959 tot en met 31 december 1961, van 1 februari 1969 tot en met 28 februari 1969, van 22 januari 1973 tot en met 13 april 1973 en van 12 februari 1979 tot en met 22 juni 1979 in Duitsland heeft gewerkt en op grond daarvan voor die perioden verzekerd is geweest volgens de wetgeving van dat land. Naar het oordeel van de rechtbank is gedaagde dan ook op goede gronden tot de conclusie gekomen dat appellant gedurende die perioden niet verzekerd is geweest voor de AOW en is terecht een korting op zijn pensioen toegepast van 6%.

Van de zijde van appellant is in hoger beroep, samengevat weergegeven, wederom betoogd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat hij, omdat hij in Nederland premies heeft betaald, als verzekerd ingevolge de AOW dient te worden beschouwd.

De Raad overweegt het volgende.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat appellant er niet over klaagt dat gedaagde niet op de juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de rechtens onaantastbaar geworden uitspraak van de rechtbank van 21 augustus 2003, doch met name beoogt te bewerkstelligen dat zijn grieven welke de rechtbank bij die uitspraak ongegrond heeft verklaard, andermaal worden beoordeeld.

Voorts constateert de Raad dat de rechtbank in de overwegingen bij die uitspraak in duidelijke bewoordingen te kennen heeft gegeven in hoeverre de beslissing op bezwaar van 15 januari 2003 de rechterlijke toetsing kan doorstaan en welke onjuistheid kleeft aan die beslissing.

Hetgeen de rechtbank in die uitspraak, waarbij onder meer aan gedaagde is opgedragen met inachtneming van het daarin gestelde een nieuw besluit te nemen, heeft beslist was in dier voege bepalend voor de rechtsverhouding tussen appellant en gedaagde, dat appellant niet op basis van de grieven die de rechtbank reeds bij de beoordeling van het besluit van 15 januari 2003 ongegrond had bevonden, in deze procedure wederom een rechterlijk oordeel kon vragen tegen het naar aanleiding van die uitspraak genomen besluit.

In verband met het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat in hoger beroep niet inhoudelijk op appellants gronden kan worden ingegaan, aangezien hetgeen namens appellant is aangevoerd samenhangt met eerderbedoelde reeds ongegrond verklaarde grieven.

Gelet op het vorenoverwogene kan het hoger beroep niet slagen en komt de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2006.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x