Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AV7771
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/2077 AOW en 05/2108 AOW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP DE GEDINGEN


Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 maart 2005, reg.nrs. 04-1603 AOW en 04-1604 AOW.

Gedaagde heeft een tweetal verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.H. van Kalmthout, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Van Kalmthout, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.A.H. Dijcks, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren in 1931, en appellante, geboren in 1932, zijn met elkaar gehuwd geweest en in 1996 gescheiden. Zij ontvingen sedert respectievelijk augustus 1996 en juli 1997 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), berekend naar de norm voor een ongehuwde.

Naar aanleiding van in 2003 binnengekomen tips dat appellant ongeveer 3 jaar geleden is gaan samenwonen met appellante is door de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende ouderdomspensioenen. In dat kader zijn onder meer observaties verricht, is een buurtonderzoek ingesteld waarbij buurtbewoners en een kleindochter van appellanten als getuigen zijn gehoord en zijn ook appellanten zelf verhoord.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft gedaagde bij afzonderlijke besluiten van 29 april 2004 met ingang van 1 juni 2001 de ouderdomspensioenen van appellanten herzien en aan ieder van hen een pensioen toegekend naar de norm voor een gehuwde of ongehuwde die samenwoont.

Gedaagde heeft bij besluiten van 10 augustus 2004 de door appellanten gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 29 april 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 10 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1, derde lid, van de AOW, voorzover van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het vierde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van de AOW wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld; of b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaats gevonden van een kind van de een door de ander.

Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat op grond van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AOW sprake is van een gezamenlijke huishouding nu appellanten beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en zij met elkaar gehuwd zijn geweest.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet relevant.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellanten vanaf mei 2001 hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. De verklaringen van appellanten zelf, van hun kleindochter en van een tweetal buurtbewoners vormen daartoe een toereikende grondslag. Dit wordt nog ondersteund door het feit dat het waterverbruik in de woning van appellante twee maal zo hoog was als dat van een alleenstaande.

Met betrekking tot de grief van appellant dat de door hem tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring onder emotionele en psychische druk tot stand is gekomen, zodat hij niet kan worden gehouden aan hetgeen hij heeft verklaard, overweegt de Raad dat volgens vaste jurisprudentie in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde en door betrokkene ondertekende verklaring en dat aan het intrekken of achteraf ontkennen van het verklaarde in het algemeen geen betekenis wordt toegekend. Verder blijkt uit het proces-verbaal van het verhoor van appellant dat deze zelf heeft aangegeven correct te zijn behandeld en enigszins opgelucht te zijn, nu hij zijn verhaal heeft kunnen vertellen. De Raad is niet gebleken van ontoelaatbare druk op grond waarvan appellant niet aan zijn afgelegde verklaringen mag worden gehouden. Daarbij tekent de Raad nog aan dat appellant zijn verklaring zonder enig voorbehoud per bladzijde heeft getekend.

Hetzelfde geldt voor de door appellante afgelegde verklaring, die overigens in grote lijnen overeenstemt met die van appellant. Waar appellante stelt dat op grond van haar jarenlange alcoholverslaving rekening had moeten worden gehouden met haar persoonlijke omstandigheden, is de Raad van oordeel is dat niet is gebleken van medische beperkingen die in de weg stonden aan het afleggen van een verklaring. De door appellante nog in geding gebrachte verklaring van de psychiater J.G. Vrasdonk doet aan dit oordeel niet af.

Met verwijzing naar zijn uitspraak van 29 november 2005, LJN AU7657, overweegt de Raad dat, nu het huwelijk van appellanten in 1996 - derhalve langer dan twee jaar vr mei 2001 - door echtscheiding is ontbonden, gedaagde niet gerechtigd was om met toepassing van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AOW het bestaan van een gezamenlijke huishouding in het geval van appellanten aan te nemen.

De besluiten van 10 augustus 2004 kunnen derhalve in rechte geen stand houden. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak eveneens voor vernietiging in aanmerking komt en dat de beroepen gegrond moeten worden verklaard.

De Raad ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand te laten en overweegt daartoe dat, nu vast staat dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren, ten aanzien van appellanten is voldaan aan het bepaalde in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

Uit het vorenstaande volgt dat de ouderdomspensioenen van appellanten terecht met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de AOW zijn herzien. De Raad ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

De Raad ziet aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen gegrond;
Vernietigt de besluiten van 10 augustus 2004;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 18,80,--
te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan ieder van appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van 140,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. J.J.A. Kooijman en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2006.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) S.W.H. Peeters.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x