Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AV7823
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er is geen belang bij het hoger beroep nu een nieuw besluit is genomen. Herziening van het recht op toeslag krachtens de AOW. Vertrouwensbeginsel. Rechtszekerheid. Geen bijzondere omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/574 AOW en 06/768 AOW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 december 2003, nr. 02/2181 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 31 januari 2006 heeft gedaagde een herziene beslissing op bezwaar in het geding gebracht. De Raad heeft besloten om bij de behandeling van dit geding tevens een oordeel te geven over het nadere besluit van 31 januari 2006.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Bronsveld, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft aan appellant, die [in] 1932 is geboren, met ingang van 1 oktober 1997 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 84% van het maximale pensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont. Tevens heeft gedaagde met ingang van 1 oktober 1997 aan appellant een volledige toeslag ingevolge de AOW toegekend, omdat zijn partner, [partner], de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt. Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan dat de partner van appellant geen inkomen had.

Door de Stichting Pensioenfonds ABP is met ingang van 14 januari 2001 een nabestaandenpensioen aan de partner van appellant toegekend, in verband met het overlijden van haar ex-echtgenoot op 13 januari 2001, ter hoogte van f 847,61 bruto per maand exclusief overhevelingstoeslag. Bij brief en “Wijzigingsformulier AOW”, beide gedateerd 7 juni 2001, heeft appellant deze inkomsten van zijn partner gemeld aan gedaagde. Voordien had de partner van appellant reeds bij brief van 21 april 2001 aan gedaagde medegedeeld dat zij na het overlijden van haar ex-echtgenoot een nabestaandenpensioen ontving van het ABP en aan gedaagde gevraagd of zij tevens recht had op een pensioen krachtens de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij brief van 11 september 2001 heeft gedaagde aan de partner van appellant medegedeeld dat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor aanspraak op een nabestaandenuitkering krachtens de ANW.

Bij besluit van 6 september 2001 heeft gedaagde de hoogte van de aan appellant toegekende toeslag herzien en nader vastgesteld over de maanden februari tot en met augustus 2001. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 17 september 2001 de over dit tijdvak onverschuldigd betaalde toeslag van appellant teruggevorderd en is aangegeven dat het bedrag van de terugvordering in maandelijkse termijnen van f 150,- zal worden verrekend met het AOW-pensioen van appellant. Bij besluiten van 6 april 2002 heeft gedaagde de besluiten van 6 en 17 september 2001 gewijzigd. Gedaagde heeft daarbij de hoogte van de aan appellant toegekende toeslag herzien en nader vastgesteld over de maanden januari tot en met augustus 2001. Voorts heeft gedaagde de over dit tijdvak onverschuldigd betaalde toeslag ten bedrage van € 2.813,20 van appellant teruggevorderd en is ten aanzien van de wijze van invordering aangegeven dat het bedrag van de terugvordering in maandelijkse termijnen van € 68,07 zal worden verrekend met het AOW-pensioen van appellant.

Bij beslissing op bezwaar van 17 oktober 2002 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde zijn besluiten van 6 april 2002 gehandhaafd, met dien verstande dat het bezwaar betrekking hebbend op de invordering van de onverschuldigd betaalde toeslag gegrond is verklaard en dat nader is bepaald dat over de maand september 2001 een bedrag van € 229,34, over de maand oktober 2001 een bedrag van € 68,07 en vanaf de maand november 2001 bedragen van € 45,38 verrekend worden met het AOW-pensioen van appellant.

Namens appellant is in beroep en in hoger beroep aangevoerd dat hij reeds in april 2001 de inkomsten van zijn partner mondeling heeft gemeld aan gedaagde en dat hem toen is verteld dat die inkomsten niet van invloed zijn op zijn aanspraak op toeslag krachtens de AOW. Voorts heeft zijn partner de inkomsten in april 2001 schriftelijk medegedeeld aan gedaagde. Appellant is van mening dat gedaagde niet adequaat heeft gereageerd op deze meldingen, zodat er aanleiding is de herziening en terugvordering te beperken tot het tijdvak van januari tot en met april 2001. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Bij beslissing op bezwaar van 31 januari 2006 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde aangegeven dat bij besluit 1 ten onrechte geen afweging is gemaakt of er sprake is van kennelijke onredelijkheid. In besluit 2 is gedaagde tot de slotsom gekomen dat er geen aanleiding is om op grond van kennelijke onredelijkheid tot een andere beslissing met betrekking tot de herziening te komen.

De Raad overweegt het volgende.



Besluit 1

Allereerst moet vastgesteld worden dat gedaagde besluit 1 niet langer handhaaft, nu in besluit 2 een volledige nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de besluiten van
6 april 2002 is genomen. Dit betekent eveneens dat appellant geen belang meer heeft bij het hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1, nu namens hem geen verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is ingediend en zijn grieven, inzake de herziening van de aanspraak op toeslag krachtens de AOW en de terugvordering, bij de toetsing van besluit 2, waar nodig, aan de orde kunnen komen. Het hoger beroep van appellant wordt derhalve niet-ontvankelijk geacht, nu niet is gebleken van enig belang van hem bij een inhoudelijk oordeel van de Raad over besluit 1.



Besluit 2

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de in het besluit van
6 april 2002 vastgestelde aanspraken van appellant op toeslag ingevolge de AOW vanaf januari 2001 tot en met augustus 2001 juist zijn berekend en dat gedaagde aan appellant over dat tijdvak te veel toeslag heeft betaald. Tussen partijen is in hoger beroep met name in geschil of gedaagde met recht de toeslag van appellant met terugwerkende kracht over dit gehele tijdvak heeft herzien.

Met betrekking tot de herziening van het recht op toeslag merkt de Raad op dat uit artikel 17, eerste lid, van de AOW volgt dat indien de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, gedaagde gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat gedaagde niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

De Raad is van oordeel dat - daargelaten de vraag of appellant gedaagde tijdig en volledig heeft geïnformeerd over de toekenning van het nabestaandenpensioen aan zijn partner - het appellant na kennisneming van de toekenning van dat pensioen redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit pensioen van invloed zou kunnen zijn op zijn aanspraken op een toeslag krachtens de AOW. Daarbij wijst de Raad erop dat appellant zelf ook twijfelde hieromtrent en dat hij daarom in juni 2001 het pensioen alsnog schriftelijk heeft gemeld aan gedaagde. Dit betekent dat gedaagde op grond van het hiervoor weergegeven beleid terecht besloten heeft niet af te zien van herziening met volledige terugwerkende kracht.

Voorts wordt door gedaagde als beleid gehanteerd dat met toepassing van artikel 3:4 van de Awb geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht gedaagde belang aan:
- de mate waarin de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin aan gedaagde een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijks leven van belanghebbende.

De Raad is van oordeel dat gedaagde na kennisneming van de brief van appellant van 7 juni 2001 over de toekenning van het nabestaandenpensioen aan zijn partner adequaat heeft gehandeld door bij besluit van 6 september 2001 de aanspraak op toeslag te herzien. Ook wanneer aangenomen zou moeten worden dat appellant gedaagde reeds in april 2001 heeft geïnformeerd over het toegekende pensioen, dan nog kan naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat gedaagde zodanig traag heeft gehandeld dat hem een verwijt treft dat van belang is voor de toepassing van voornoemd beleid. Voorts stelt de Raad vast dat namens appellant ter zitting van de Raad is medegedeeld dat de herziening van de toeslag niet daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijks leven van appellant. De Raad is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat gedaagde redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat er in dit geval geen sprake is van kennelijke onredelijkheid.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde naar het oordeel van de Raad met recht heeft geoordeeld dat er in het onderhavige geval - ook met inachtneming van zijn beleid - geen redenen zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van herziening met terugwerkende kracht van de aanspraak van appellant op toeslag ingevolge de AOW over het tijdvak van januari tot en met augustus 2001.

Ten aanzien van de over dit tijdvak onverschuldigd betaalde toeslag is gedaagde op grond van artikel 24 van de AOW gehouden tot terugvordering. Slechts in geval van dringende redenen is gedaagde ingevolge het vierde lid van artikel 24 van de AOW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de - financiële en/of sociale - gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. De Raad moet evenwel constateren dat gesteld noch gebleken is dat appellant ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt, zodat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan gedeeltelijk van terugvordering afgezien kan worden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep dat geacht wordt te zijn ingesteld tegen besluit 2 niet kan slagen, zodat dit beroep ongegrond verklaard dient te worden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- in hoger beroep en op € voor reiskosten, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan gedaagde.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn ingesteld tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep begroot op € 1.317,90 te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellant gestorte griffierecht van in totaal € 116,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2006.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x