Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AX9435
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening AOW-pensioen. Gezamenlijke huishouding. Zorg aan hulpbehoevende. Redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/5346 AOW




U I T S P R A A K



  
op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 3 augustus 2005, 04/927 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 27 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. K.M. Moeliker, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2006. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 is omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). In verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd is aan appellante in aansluiting op haar nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 2000 een ouderdomspensioen toegekend ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Naar aanleiding van het overlijdensbericht van [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) in de Provinciale Zeeuwse Courant, waarin [betrokkene] werd aangeduid als de levenspartner van appellante, heeft de sociale recherche van de Sociale verzekeringsbank een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkeringen. Teneinde de woonsituatie van appellante tot aan het overlijden van [betrokkene] op 5 april 2001 te beoordelen heeft een sociaal rechercheur van de Sociale verzekeringsbank op 8 november 2001 een huisbezoek afgelegd waarbij een ďChecklist Onderzoek LeefsituatieĒ is ingevuld, die door appellante is ondertekend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 november 2001. De Svb heeft naar aanleiding van de onderzoeksresultaten geconcludeerd dat appellante vanaf 1997 tot 5 april 2000 een gezamenlijke huishouding met [betrokkene] heeft gevoerd, anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. Bij besluit van 11 september 2003 heeft de Svb het recht op nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 november 1997 beŽindigd en bij besluit van eveneens 11 september 2003 haar ouderdomspensioen over de periode van 1 januari 2000 tot 1 april 2001 herzien naar de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluit van 23 november 2004 heeft de Svb het bezwaar tegen de beŽindiging van de nabestaandenuitkering gegrond verklaard en de datum waarop de nabestaandenuitkering van appellante eindigt nader bepaald op 31 december 1997. Het bezwaar tegen de herziening van het ouderdomspensioen van appellante is ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat zij geen gezamenlijke huishouding met [betrokkene] heeft gevoerd en, zo daar anders over geoordeeld mocht worden, dat de gezamenlijke huishouding is aangegaan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. Verder heeft zij aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is allereerst in geschil of appellante en [betrokkene] ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Deze vraag dient beantwoord te worden aan de hand van artikel 3, derde lid, van de Anw (voor wat betreft de periode vanaf 1 januari 1998) en artikel 1, vierde lid, van de AOW (voor wat betreft de periode van 1 januari 2000 tot 1 april 2001). Op grond van deze bepalingen is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante en [betrokkene] ten tijde hier van belang stonden ingeschreven op verschillende adressen. Aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning kan evenwel ook zijn voldaan indien ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woning wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

De Raad is van oordeel dat het rapport van 9 november 2001 een toereikende grondslag biedt voor het standpunt dat appellante en [betrokkene] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Uit dat rapport blijkt dat appellante tijdens het huisbezoek tegenover de sociale rechercheur heeft verklaard dat [betrokkene] sedert 1996/1997 alle dagen van de week in haar woning doorbracht en daar ook sliep.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Naar het oordeel van de Raad komt uit het rapport van 9 november 2001 in voldoende mate naar voren dat er ten tijde in geding sprake was van wederzijdse zorg. Uit dat rapport blijkt dat appellante tijdens het huisbezoek tegenover de sociale rechercheur heeft verklaard dat zij voor [betrokkene] waste, boodschappen deed, kookte en hem tijdens ziekte verzorgde en dat [betrokkene] huishoudelijke werkzaamheden en klusjes in haar woning verrichtte en een bijdrage leverde in de kosten van de huishouding van f 200,- per twee weken. Verder heeft appellante verklaard dat zij van [betrokkene] een auto heeft gekregen, dat die auto door beiden werd gebruikt en dat [betrokkene] de benzine en appellante de wegenbelasting en de verzekering voor die auto betaalde.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellante en [betrokkene] ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding in de zin van de Anw en de AOW hebben gevoerd.

Tussen partijen is verder in geschil of [betrokkene] ten tijde van het aangaan van de gezamenlijke huishouding op 1 januari 1998 kon worden aangemerkt als een hulpbehoevende in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k, (tekst voor 30 april 2000) van de Anw.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k, (tekst voor 30 april 2000) van de Anw wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder hulpbehoevende: de persoon die vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren daar hij dagelijks is aangewezen op intensieve zorg van anderen. In zijn beleid heeft de Svb het begrip hulpbehoevende nader geÔnterpreteerd. Als hulpbehoevende wordt in de eerste plaats aangemerkt de persoon van wie reeds is vastgesteld dat hij vanwege ziekte of een stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard in aanmerking komt voor een opname in een AWBZ-inrichting. Voorts wordt als hulpbehoevende aangemerkt de persoon die hetzij vanwege ziekte of een stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), hetzij is aangewezen op constant toezicht teneinde mogelijk gevaar voor zichzelf of voor anderen te voorkomen. De Raad sluit zich hierbij aan.

Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken, waaronder het rapport van 9 november 2001 en het door de Svb naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen de beŽindiging van de nabestaandenuitkering ingewonnen advies van Argonaut van 24 december 2004, een toereikende grondslag voor de conclusie dat [betrokkene] ten tijde van het aangaan van de gezamenlijke huishouding niet als een hulpbehoevende in de zin van de Anw was aan te merken. Uit die stukken blijkt weliswaar dat [betrokkene] destijds hartklachten had en dat bij hem kanker was vastgesteld, maar daaruit blijkt niet dat [betrokkene] ten tijde hier van belang dagelijks op intensieve zorg van anderen was aangewezen. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellante tijdens het huisbezoek tegenover de sociaal rechercheur heeft verklaard dat [betrokkene] niet bedlegerig was, dat hij kon gaan en staan waar hij wenste, huishoudelijke werkzaamheden en klusjes in huis verrichtte en door [woonplaats] fietste.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante de Svb ten tijde hier van belang niet van de gezamenlijke huishouding met [betrokkene] op de hoogte heeft gesteld. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 35 van de Anw, respectievelijk artikel 49 van de AOW, op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, hetgeen ertoe heeft geleid dat aan appellante vanaf 1 januari 1998 ten onrechte nabestaandenuitkering is verleend respectievelijk over de periode van 1 januari 2000 tot 1 april 2001 tot een te hoog bedrag ouderdomspensioen is verleend. Gedaagde was derhalve gehouden de nabestaandenuitkering met toepassing van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw met ingang van 1 januari 1998 in te trekken en het ouderdomspensioen met toepassing van artikel 17a, eerste lid, van de AOW over de periode van 1 januari 2000 tot 1 april 2001 te herzien. In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw, respectievelijk artikel 17a, tweede lid, van de AOW om geheel of gedeeltelijk van de intrekking respectievelijk herziening af te zien.

Met betrekking tot de grief dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, heeft appellante erop gewezen dat tussen het tijdstip van het bekend worden van het overlijden van [betrokkene] op 6 april 2001, de Svb bijna tweeŽneenhalf jaar heeft gewacht alvorens de primaire besluiten te nemen.

De Raad volgt appellante hierin niet. Voor het aanvangen van de termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, dient ten minste een standpunt van het bestuursorgaan voorhanden te zijn dat de betrokkenen aanleiding kan geven een geschil op te werpen.

In een geval als het onderhavige vangt de redelijke termijn aan op het tijdstip dat tegen de primaire besluiten bezwaar is gemaakt. Uit de gedingstukken blijkt dat tegen de besluiten van 11 september 2003 op 17 oktober 2003 bezwaar is gemaakt. De Raad stelt vast dat tussen 17 oktober 2003 en het moment van de definitieve beslechting van het geschil met deze uitspraak nog geen drie jaren zijn verstreken. Van schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM is dan ook geen sprake.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2006.

(get.) J.J.A. Kooijman

(get.) P.C. de Wit




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x