Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AY0202
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening AOW-pensioen. Gezamenlijke huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3776 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 mei 2005, 05/1150 en 05/1151 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 27 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Schreurs, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 05/3749 WWB, plaatsgevonden op 16 mei 2006, waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar de Svb zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 1 november 2002 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), berekend naar de norm voor een ongehuwde.

Naar aanleiding van een controle in de gemeentelijke basisadministratie waaruit bleek dat op het adres van appellant ook [A.F. S.] stond ingeschreven, heeft de Svb nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van het aan appellant verleende pensioen.
In dat kader zijn door de buitendienst van de Sociale verzekeringsbank op 26 juli 2004 en 11 november 2004 huisbezoeken aan de woning van appellant afgelegd. Bij het tweede huisbezoek heeft de buitendienstmedewerker met appellant en [S.] een 'Checklist onderzoek leefsituatie AOW/Anw' doorgenomen en ingevuld.

Op grond van de bevindingen van het onderzoek heeft de Svb bij besluit van 20 januari 2005 het ouderdomspensioen van appellant met ingang van 1 november 2003 herzien en nader vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluit van 11 april 2005 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 april 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voorzover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 april 2005 ongegrond heeft verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is in geschil of appellant vanaf 1 november 2003 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [S.].

Op grond van artikel 1, vierde lid, van de AOW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar vaste rechtspraak dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.
Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet relevant.

Niet in geschil is dat appellant en [S.] vanaf 17 oktober 2003 hun beider hoofdverblijf hebben in de woning van appellant, waarmee aan het eerste criterium van het bepaalde in artikel 1, vierde lid van de AOW is voldaan.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse verzorging.
Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en daarmee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars
verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval aan het verzorgingscriterium is voldaan.

De Raad is met de rechtbank en de Svb van oordeel dat er ten tijde hier van belang sprake was van wederzijdse zorg tussen appellant en [S.]. De Raad hecht hierbij in het bijzonder betekenis aan de door appellant en [S.] op 11 november 2004 ondertekende 'Checklist onderzoek leefsituatie AOW, Anw'. Daaruit blijkt onder meer dat appellant de eerste tijd nadat [S.] bij hem was ingetrokken haar financieel heeft ondersteund, dat appellant en [S.] samen boodschappen doen, de maaltijd gebruiken, huishoudelijk werk en klusjes verrichten, de tuin onderhouden en gezamenlijk bezoek afleggen en ontvangen en dat zij elkaar bij ziekte verzorgen. Aan de stelling van appellant dat hetgeen in de checklist is vermeld niet overeenstemt met hetgeen hij ten overstaan van de buitendienstmedewerker heeft verklaard gaat de Raad voorbij, aangezien appellant deze stelling niet heeft onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens.

Niettegenstaande de naderhand opgemaakte verklaring van kamerverhuur en de overgelegde kwitanties ter zake van huurbetaling, is de Raad van oordeel dat ten tijde hier van belang geen sprake was van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangers- of onderhuurrelatie. De Raad heeft daarbij onder meer van belang geacht dat het [S.] was toegestaan om van alle vertrekken in de woning van appellant gebruik te maken met uitzondering van diens slaapvertrek en dat de huurprijs van Ä 150,-- per maand niet als een reŽle en zakelijke vergoeding kan worden beschouwd voor hetgeen aan onderdak en verzorging werd geboden, maar veeleer moet worden gekwalificeerd als een bijdrage in de kosten van de huishouding.

Gelet op het voorgaande heeft de Svb appellant met ingang van 1 november 2003 terecht aangemerkt als een ongehuwde die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat appellant vanaf 1 november 2003 geen recht had op een ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde, zodat de Svb, gelet op het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de AOW, gehouden was om het ouderdomspensioen met ingang van die datum te herzien.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, zodat de Svb niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van de herziening af te zien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2006.

(get.) J.J.A. Kooijman

(get.) P.C. de Wit




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x