Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AY6549
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van het AOW-pensioen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria, waarbij de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang zijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3337 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 april 2005, 04/10 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

en

appellante.

Datum uitspraak: 8 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. L.J.H.M. Achten, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Achten, en de Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A.van der Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

De Svb heeft appellante met ingang van 1 maart 1993 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde.

Naar aanleiding van een tweetal tips dat appellante zou samenwonen met (thans wijlen) [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft de Sociale Recherche van de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het aan appellante verleende ouderdomspensioen. In dat kader zijn inlichtingen ingewonnen bij enige instanties, is een aantal getuigen gehoord en zijn appellante en [betrokkene] verhoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een op 7 november 2002 opgemaakt proces-verbaal.

Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft de Svb bij besluit van 21 februari 2003 het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 december 1997 herzien naar de norm voor een gehuwde op de grond dat appellante in november 1997 een gezamenlijke huishouding met [betrokkene] is gaan voeren.

Bij besluit van 25 november 2003 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 25 november 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank is wl genoegzaam vast komen te staan dat appellante en [betrokkene] op enig moment in 1999 een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW zijn gaan voeren maar nit dat daarvan al direct na de verhuizing van [betrokkene] van Rotterdam naar Zwolle in november 1997 sprake was.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarin is geoordeeld dat zij op enig moment in 1999 een gezamenlijke huishouding met [betrokkene] is gaan voeren.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Evenals gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het proces-verbaal van de Sociale Recherche van 7 november 2002 genoegzaam blijkt dat appellante en [betrokkene] (sedert enige datum in 1999) een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Appellante betwist in wezen ook niet dat zij ten tijde in geding haar hoofdverblijf in de woning van [betrokkene] had en dat sprake was van wederzijdse zorg als in artikel 1, vierde lid, van de AOW bedoeld. Zij is evenwel van mening dat daaruit niet de conclusie mag worden getrokken dat zij en [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voerden omdat zij in de woning van [betrokkene] verbleef om hem te verplegen en te verzorgen terwijl zij ook haar eigen woning in [woonplaats] aanhield. Haar verblijf bij [betrokkene] was dan ook niet als duurzaam bedoeld.

De Raad kan appellante in haar opvatting niet volgen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria, waarbij de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang zijn.

Aangezien ook hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd de Raad niet tot een ander oordeel heeft kunnen leiden, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. De Svb dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 februari 2003 te nemen. In dit verband tekent te Raad aan dat de gemachtigde van de Svb ter terechtzitting van de Raad heeft aangegeven dat er aanleiding is het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 september 1999 te herzien.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Bepaalt dat de Svb een nader besluit neemt op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 februari 2003.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x