Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AY9731
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-10-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht besloten dat betrokkene gedurende de periode 1 januari 1957 tot en met 23 juni 1974, toen hij in Suriname woonde en werkte, niet verzekerd was ingevolge de AOW? Met wonen binnen het Rijk wordt bedoeld het Rijk in Europa (artikel 2 (oud) van de AOW). Het wonen binnen het Rijk (Suriname tot 25 november 1975) kan derhalve niet worden gelijkgesteld met wonen in Nederland. Betrokkene kan aan zijn dienstbetrekking destijds met het Ministerie van Opbouw geen aanspraken ontlenen op verzekering ingevolge de AOW, omdat deze overheidsdienst niet kan worden aangemerkt als een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon in de zin van artikel 3, vierde lid, van de AOW, zoals dat luidde ten tijde in geding. Maar zelfs indien zulks wel het geval zou zijn geweest, zou betrokkene hieraan evenmin een verzekeringsgrond kunnen ontlenen, omdat hij buiten het Rijk werkzaam was in het land waar hij was aangeworven.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3390 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 april 2005, 04/2569 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de Svb).

Datum uitspraak: 6 oktober 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G.J. Schipper-de Bruijn, advocaat te Hoogvliet, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2006. Namens appellant is verschenen mr. P. Vermeulen, kantoorgenoot van mr. Schipper-de Bruijn.
De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Ook in hoger beroep is tussen partijen slechts in geschil of de Svb terecht heeft besloten dat appellant gedurende het tijdvak van 1 januari 1957 tot en met 23 juni 1974, toen hij in Suriname woonde en werkte, niet verzekerd was ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Met betrekking tot dit geschilpunt heeft de rechtbank overwogen dat appellant op grond van de artikelen 2, 3 en 6 van de AOW, zoals die artikelen luidden tot 1 januari 1990, niet verzekerd was ingevolge die wet. In die artikelen is, kort samengevat, bepaald dat ingezetenen verzekerd zijn krachtens de AOW en dat ingezetene is degene die in het Rijk woont. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat in vaste jurisprudentie van deze Raad is bepaald dat onder 'het Rijk' dient te worden verstaan 'het Rijk in Europa'.
Voorts is overwogen dat de stelling van appellant, dat hij een arbeidsovereenkomst had met een Nederlandse overheidsdienst zodat hij in die periode als verzekerde kon worden aangemerkt, miskent dat appellant niet in Nederland arbeid in dienstbetrekking verrichtte.

De Raad verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft hij in het bijzonder overwogen dat appellant, werkzaam als topograaf bij het Ministerie van Opbouw, weliswaar in dienstbetrekking stond tot een publiekrechtelijke rechtspersoon, te weten het toenmalige rijksdeel Suriname, maar dat deze niet kan worden aangemerkt als een Nederlands publiekrechtelijk rechtspersoon in de zin van artikel 3, vierde lid van de AOW, zoals dat luidde ten tijde in geding. Zelfs indien zulks wel het geval zou zijn geweest, zou appellant hieraan evenmin een verzekeringsgrond kunnen ontlenen omdat hij buiten het Rijk werkzaam was in het land waar hij was aangeworven. Voorts heeft de Raad overwogen dat appellant zijn stelling dat hij AOW-premies heeft betaald niet aannemelijk heeft gemaakt. Hetgeen overigens nog in hoger beroep naar voren is gebracht, wat in essentie een herhaling vormt van hetgeen bij de rechtbank naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden.

Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x