Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AZ2594
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van het toegekende AOW-pensioen en de toeslag daarop, gelet op de onverzekerde jaren. Ingangsdatum van de toeslag. Beleidswijziging in verband met een andere interpretatie van Verordening (EEG) nr. 1408/71.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6734 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2004, 02/4735 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 17 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Bij brief van 24 juni 2006 heeft appellant de gronden van het beroep nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2006. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.H. Dijcks en H. van der Most.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 10 juli 1998 heeft de Svb aan appellant met ingang van 1 december 1998 een AOW-pensioen toegekend, waarbij een korting is toegepast van 82% wegens afgerond 42 niet-verzekerde jaren. Bij separaat besluit van dezelfde datum heeft de Svb aan appellant laten weten dat hij geen recht heeft op een toeslag op zijn AOW-pensioen gezien het inkomen van appellants (huwelijks)partner.

Bij brief gedateerd 3 augustus 1998 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de korting op zijn AOW-pensioen. Opgemerkt wordt onder meer dat bij de berekening van het pensioen ten onrechte geen rekening is gehouden met het gegeven dat appellant EU-onderdaan is. Bij besluit van 22 oktober 1998 is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij schrijven van 13 november 1998 is door appellant beroep ingesteld zowel inzake het AOW-pensioen als de toeslag op het pensioen. Bij uitspraak van 4 oktober 2000 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep voorzover gericht tegen de afwijzing van de toeslag niet ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Het beroep van appellant voorzover het de toeslag betreft is door de rechtbank doorgezonden naar de Svb ter behandeling als bezwaarschrift. Bij besluit van 18 oktober 2000 is het bezwaar tegen de toeslag niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Bij besluit van 29 maart 2002 heeft de Svb aan appellant laten weten dat naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep appellants recht op toeslag opnieuw is beoordeeld. Op grond van deze uitspraak mogen sommige uitkeringen niet langer worden gekort op de AOW-toeslag. Deze uitspraak geldt ook voor de EU-rente van appellants echtgenote. Aan appellant wordt vanaf maart 2001 een toeslag toegekend van € 263,24 bruto per maand (exclusief € 13,68 vakantiegeld). Dit is 46% van de volledige toeslag.

In bezwaar is door appellant aangevoerd dat het recht op toeslag dient in te gaan per 1 december 1998. Bij besluit van 27 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 29 maart 2002 ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt dat naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 22 maart 2001 de Svb haar beleid heeft gewijzigd. Besloten is om gelijksoortige wettelijke uitkeringen uit een ander EU/EER-land toegekend aan de jongere (huwelijks)partner, die gebaseerd zijn op de eigen tijdvakken van verzekering van die partner, niet meer te korten op de AOW-toeslag. Deze beleidswijziging gaat in op 1 maart 2001 en werkt niet terug.

In beroep heeft appellant zowel gronden aangevoerd tegen de ingangsdatum van de toeslag als tegen de berekening van de AOW-uitkering zelf. In verweer is door de Svb aangegeven dat de beleidswijziging verband houdt met een andere interpretatie van verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71).

Ter zitting van de rechtbank is namens de Svb een uiteenzetting gegeven van het beleid van de Svb inzake het terugkomen van een eerder besluit. Als een rechtens onherroepelijk geworden besluit bij nader inzien voor onjuist wordt gehouden als gevolg van een wijziging in het beleid van de Svb ten gunste van de belanghebbende hanteert de Svb de volgende uitgangspunten:
1) Als het nieuwe beleid is gebaseerd op één rechterlijke uitspraak zal de Svb de beleidswijziging in het algemeen laten ingaan op de datum van die uitspraak.
2) Andere beleidswijzigingen zullen in het algemeen ingaan op de datum waarop de Svb tot beleidswijziging beslist of op een andere, apart vastgestelde datum. Herziening van rechtens onaantastbaar geworden besluiten zal plaatsvinden met een terugwerkende kracht van ten hoogste één jaar vanaf het moment waarop de belanghebbende om herziening heeft gevraagd, tot uiterlijk de ingangsdatum van het nieuwe beleid.
In het onderhavige geval volgt volgens de Svb hieruit dat de korting wordt herzien met ingang van de ingangsdatum van het nieuwe beleid. Nu als ingangsdatum van het nieuwe beleid in de Svb Beleidsregels 5 februari 2001 is aangegeven, dient aan appellant een toeslag te worden toegekend met ingang van 1 februari 2001. In zoverre wordt het bestreden besluit niet gehandhaafd. Opgemerkt wordt verder dat in casu aan het terugkomen van een andere interpretatie van artikel 46, eerste lid, onder a, van Vo. 1408/71 ten gronde ligt. De Svb is thans van mening dat de hoogte van de toeslag dient te worden vastgesteld aan de hand van de pro-rata berekening als bedoeld in artikel 46, lid 2, van Vo. 1408/71. Artikel 46ter, lid 1, van Vo. 1408/71 verbiedt een aldus berekende uitkering te anticumuleren met een andere uitkering van gelijke aard.

De rechtbank heeft vooropgesteld dat appellants grief met betrekking tot het recht op AOW zelf geen doel kan treffen, aangezien het bestreden besluit slechts de herziening van het recht op AOW-toeslag betreft. Met betrekking tot de toeslag heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het door de Svb gevoerde beleid. De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit kan worden gehandhaafd, zij het dat, zoals ter zitting door de Svb is uiteengezet, de ingangsdatum van de toekenning van het recht op toeslag 1 februari 2001 dient te zijn. Het bestreden besluit wordt op die grond vernietigd. Door de rechtbank is zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellant vanaf 1 februari 2001 recht heeft op een AOW-toeslag ter hoogte van 46% van de volledige toeslag.

Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen het door de rechtbank zelf in de zaak voorzien. Appellant heeft in essentie zijn grieven met betrekking tot het recht op AOW en de toeslag bij de AOW herhaald. Door de Svb is nog opgemerkt dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EG geen aanleiding geeft te vermoeden dat in de onderhavige zaak een uitzondering aan de orde zou zijn op grond waarvan niet mag worden uitgegaan van de formele rechtskracht van eerder genomen beschikkingen.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat appellants grief met betrekking het recht op AOW zelf geen doel kan treffen, nu dit recht valt buiten de omvang van het tussen partijen aanhangige geding.

Ten aanzien van de ingangsdatum van het recht op toeslag kan de Raad zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank, welke de Raad dan ook tot de zijne maakt. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 november 2006.

(get.) M.M. van de Kade.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x